Contentverzamelaar

Raad van State vraagt uitleg over luchtvaartverdrag EU-VS
Mag een Duitse luchtvaartmaatschappij zich beroepen op het luchtvaartverdrag tussen de EU en de VS om zonder vergunning vanuit een derde land via de VS op Nederland te vliegen? Zijn de Nederlandse vestigingseisen voor luchtvaartmaatschappijen in strijd met het EU-recht? Deze vragen heeft de Raad van State voorgelegd aan het EU-Hof.

Het gaat om de prejudiciële verwijzing van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 september 2015 ( Lufthansa Cargo AG tegen de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu,   http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RVS:2015:2773). De verwijzing is bij het EU-Hof ingeschreven als zaak C-470/15.

De vragen zijn gericht op de uitleg over het luchtvaartverdrag tussen de Verenigde Staten en de Europese Unie. Dat verdrag voorziet in een vergunningsvrije toegang voor luchtverkeer tussen Amerikaanse en Europese luchthavens voor luchtvaartmaatschappijen afkomstig uit de Europese Unie en de Verenigde Staten.

De zaak en de feiten

Het Duitse Lufthansa Cargo AG heeft zonder vergunning vluchten uitgevoerd vanuit Duitsland, waarbij een vracht bloemen afkomstig uit Ecuador of Colombia, na een tussenstop in Puerto Rico (formeel territorium van de Verenigde Staten), werd uitgeladen in Nederland. Vervolgens keerde het vliegtuig terug naar Duitsland. Tijdens de tussenstop in Puerto Rico wijzigde het vluchtnummer, kwam een andere bemanning aan boord en werd in voorkomende gevallen nieuwe vracht ingeladen. De staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu heeft Lufthansa Cargo een dwangsom opgelegd, omdat het bedrijf zonder vergunning bloemen naar Nederland heeft vervoerd.

Lufthansa Cargo heeft vervolgens aangevoerd dat zij zich tegenover Nederland rechtstreeks kan beroepen op het EU-VS Verdrag, waardoor een vergunning als bedoeld in artikel 16 van de Luchtvaartwet niet nodig was voor bovengenoemde vluchten. Lufthansa Cargo zegt dat de desbetreffende vluchten in de VS (Puerto Rico) begonnen en in Duitsland eindigden. Het EU-VS Verdrag regelt niets over de herkomst of bestemming van vracht, aldus Lufthansa Cargo. De staatssecretaris betoogt daarentegen dat voor de toepassing van het EU-VS Verdrag, in het bijzonder artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, sub ii, eerste volzin, de herkomst van de vracht wel bepalend. Indien de vracht dan ook afkomstig is uit Ecuador of Colombia, heeft de vervoerder volgens de staatssecretaris de verplichting een vergunning aan te vragen in overeenstemming met de Luchtvaartwet.

De prejudiciële vragen

De Afdeling heeft naar aanleiding van deze zaak een drietal prejudiciële vragen gesteld aan het Europese Hof van Justitie.

De eerste vraag ziet op de kwestie betreffende de afkomst van de vlucht en vracht. De Afdeling legt de vraag voor of het recht uit het luchtvaartverdrag tussen de EU en de VS om zonder vergunning vracht te vervoeren en uit te laden in Nederland, ook van toepassing is indien de vracht is ingeladen in een derde land en een tussenlanding is gemaakt op Amerikaans grondgebied. De Afdeling is vooralsnog van oordeel dat de herkomst van de vracht bepalend dient te zijn voor de toepassing van het EU-VS Verdrag, omdat dit voorkomt dat een vracht uit ieder willekeurig derde land kan worden uitgeladen en ingevoerd in de VS of de Europese Unie en haar lidstaten, op voorwaarde dat tijdens het luchtvervoer het grondgebied van een van die partijen wordt aangedaan. Dit zou op gespannen voet komen te staan met de bestaande bilaterale overeenkomsten tussen de partijen en derde land, aldus de Afdeling.

De tweede vraag ziet op de positie van communautaire luchtvaartmaatschappijen tegenover andere lidstaten. Het luchtvaartverdrag is gesloten tussen de Verenigde Staten en de Europese Unie en haar lidstaten. De Afdeling stelt de vraag aan het EU-Hof of een Europese luchtvaartmaatschappij met een hoofdvestiging in een lidstaat ook rechten aan het EU-VS Verdrag kan ontlenen ten opzichte van andere lidstaten. Het antwoord op deze vraag is van belang om te kunnen bepalen of een communautaire luchtvaartmaatschappij op grond van het luchtvaartverdrag een vracht mag vervoeren naar en uitladen op het grondgebied van een andere lidstaat dan waar zij haar hoofdvestiging heeft.

De derde vraag ziet op het feit dat de staatssecretaris een vergunning aan Lufthansa Cargo heeft geweigerd, omdat niet wordt voldaan aan de vestigingseis als bedoeld in de Nota routevergunningenbeleid om in aanmerking te komen voor een vergunning. De staatssecretaris acht hierbij van belang dat Lufthansa Cargo niet voldoet aan de eis om een deel van haar vloot – minimaal twee vliegtuigen – in Nederland gestationeerd te hebben. Hierbij wordt verwezen naar de arresten Factortame en Jaderow, waaruit blijkt dat lidstaten in bijzondere gevallen verdergaande vestigingseisen mogen stellen dan volgt uit het arrest Gebhard, zonder dat sprake is van een beperking van artikel 49 van het EU-Werkingsverdrag. Lufthansa Cargo betoogt echter dat het in de arresten Factortame en Jaderow ging om de verdeling van schaarse rechten. Dat is in de huidige zaak niet het geval is. De vestigingseis van de staatssecretaris is volgens Lufthansa Cargo in strijd met artikel 5 van Verordening 847/2004, dat ziet op een niet-discriminerende wijze van het toebedelen en wijzigen van verkeersrechten. De Afdeling legt de vraag bij het EU-Hof of artikel 5 van Verordening 847/2004 zich verzet tegen de gestelde vestigingseis van de staatssecretaris.

Opschorting behandeling

De behandeling van het hoger beroep wordt opgeschort totdat het EU-Hof uitspraak heeft gedaan betreft de drie prejudiciële vragen. Naar verwachting duurt dit ongeveer één tot anderhalf jaar.