Raadsbesluit over internationale aanbevelingen wijnsector ongeldig

Contentverzamelaar

Raadsbesluit over internationale aanbevelingen wijnsector ongeldig
De Raad heeft ten onrechte de lidstaten die partij zijn bij de Internationale Organisatie voor Wijnbouw verplicht in te stemmen met niet-verbindende aanbevelingen voor de productie van wijn. De rechtsgrondslag die de Raad gebruikt is alleen bedoeld voor bindende besluiten van organisaties waarvan de EU zelf lid is. Het Raadsbesluit moet daarom vernietigd worden. Dat adviseert Advocaat-Generaal Cruz Villalón het EU-Hof.

Het gaat om de conclusie van Advocaat-Generaal (AG) Cruz Villalón van 29 april 2014 in de zaak C-399/12, Duitsland tegen de Raad. Nederland heeft Duitsland in deze procedure ondersteund. De Commissie ondersteunde de Raad.

De procedure gaat over de vraag of artikel 218, lid 9 van het EU-Werkingsverdrag (VWEU) als rechtsgrondslag van het Raadsbesluit kan worden gebruikt. Vraag is of die bepaling kan worden gebruikt wanneer Unie geen lid is van de betrokken internationale organisatie. Ook is van belang of het hier gaat om ‘handelingen met rechtsgevolgen’.

De AG meent dat artikel 218 lid 9 VWEU alleen kan worden gebruikt voor standpunten namens de Unie in een krachtens een verdrag opgericht lichaam, waarbij de Unie partij is. Hij baseert dit op zowel de bewoordingen als de systematiek van artikel 218, lid 9 VWEU. Daarnaast wordt dit volgens hem ondersteund door een teleologische uitleg van doel en strekking van die bepaling en van artikel 218 als geheel.

Vervolgens gaat hij in op de vraag of het hier gaat om ‘handelingen met rechtsgevolgen’. De niet-verbindende aanbevelingen van de OIV worden door een bepaling in een EU-verordening juridisch verbindend binnen de Unie. Duitsland en de andere lidstaten in deze procedure stelden zich op het standpunt dat het alleen kan gaan om volkenrechtelijk bindende besluiten die als zodanig kunnen worden aangemerkt. De Raad en de Commissie waren van mening dat ook besluiten van een internationale organisatie die via een ‘dynamische verwijzing’ in het Unierecht zijn opgenomen, ‘rechtsgevolgen’ in de zin van art 218, lid 9 , VWEU, hebben.

De AG meent dat op grond van een teleologische uitleg moet worden geconcludeerd dat de term ‘rechtsgevolgen’ uit die bepaling op het volkenrechtelijk bindende karakter van de handeling zien. De dynamische verwijzing in het Unierecht is dus niet van belang. Hij concludeert dan ook dat artikel 218, lid 9 VWEU voor dit Raadsbesluit niet de geschikte rechtsgrondslag lijkt.

Vervolgens analyseert de AG nog of sprake kan zijn van een ‘analoge toepassing’ van artikel 218, lid 9 VWEU, ondanks het feit dat niet aan de bovengenoemde voorwaarden is voldaan. Toepassing per analogie veronderstelt volgens de AG een onbedoelde lacune in de Uniewetgeving en vergelijkbaarheid van de onderzochte en bedoelde situatie. Deze methode kan niet op alle terreinen worden toegepast (uitgesloten bij strafrecht) en hij is van mening dat analoge toepassing op het gebied van de bevoegdheidsverdeling “uitgesproken problematisch” is. De AG geeft aan dat de Verdragen ervan uitgaan dat de Unie zelf haar bevoegdheden uitoefent. Indien een internationale organisatie binnen de EU bevoegdheid actief is de logica dat de EU lid wordt. Dat is vaak niet zo, omdat de interne regels van die organisatie dat niet toestaan of wanneer zij dat wel toestaan, toetreding nog niet is gematerialiseerd (zoals in geval van OIV, waar de mogelijkheid al in 2001 in het OIV-verdrag is opgenomen).

Analoge toepassing in de laatste situatie is volgens de AG uitgesloten. Het zou een terugkeer betekenen naar een bewust door de verdragswetgever afgeschafte bepaling (artikel 116 EEG). Ook zou het de ontwikkelingen negeren dat Internationale organisaties zich steeds vaker binnen bevoegdheidssfeer van de EU bewegen en dat volkenrechtelijke belemmeringen voor EU-lidmaatschap van deze organisaties in toenemende mate worden weggenomen. De opvatting van de Raad zou betekenen dat ‘dynamische verwijzing’ steeds toepassing van artikel 218, lid 9 VWEU teweegbrengt en dat de EU zo kan afzien van toetreding tot de betrokken organisatie. Tenslotte omzeilt analoge toepassing zo de bevoegdheden van het Europees Parlement, dat in beginsel bij het sluiten van een verdrag of besluit tot toetreding moet worden betrokken. Daarentegen wordt het EP over besluiten op grond van 218, lid 9 VWEU slechts ‘onverwijld geïnformeerd’.

Daarom is artikel 218, lid 9 VWEU volgens de AG niet de juiste rechtsgrondslag voor het Raadsbesluit. Het is dus in strijd met het verdrag en moet daarom worden vernietigd.