Contentverzamelaar

Rechterlijke toets subsidiariteitsbeginsel blijft beperkt
De Uniewetgever heeft veel ruimte om te beoordelen of EU-optreden noodzakelijk is. De situatie in een specifieke lidstaat is daarbij niet van belang. Dat blijkt uit een arrest van het EU-Hof over bezwaren van Estland tegen de EU-richtlijn over jaarrekeningen van ondernemingen.

Het gaat om een arrest van het EU-Hof van 18 juni 2015 in de zaak C-508/13, Estland tegen Europees Parlement en Raad

Estland kwam in beroep tegen een onderdeel van richtlijn 2013/34 over jaarrekeningen van ondernemingen. Met name bepalingen die betrekking hebben op kleine ondernemingen leidden in Estland tot bezwaren. De richtlijn beoogt kleine ondernemingen te ontzien ten aanzien van de rapportageverplichtingen. Estland is van mening dat verlichting van administratieve lasten voor kleine ondernemingen beter op het niveau van de lidstaten kan worden geregeld.

Het Hof overweegt dat het subsidiariteitsbeginsel inhoudt dat de Unie slechts optreedt indien en voor zover de doelstellingen van het overwogen optreden door de lidstaten niet voldoende kunnen worden verwezenlijkt en daarom vanwege de omvang of de gevolgen van het overwogen optreden beter door de Unie kunnen worden bereikt.

Hiermee wordt artikel 5, lid 3 van het EU-Verdrag (VEU), waarin het subsidiariteitsbeginsel is vastgelegd, niet precies geciteerd. In plaats van de woorden ‘en daarom’ wordt in artikel 5, lid 3 VEU het woord ‘maar’ gebruikt. Hieruit kan worden afgeleid dat de vraag of de EU beter dan de lidstaten kan optreden niet automatisch volgt op de constatering dat de lidstaten de doelstellingen niet kunnen bereiken. Er moet ook gekeken worden naar de omvang en de gevolgen van het overwogen optreden. Uit het arrest blijkt dat het Hof toch vooral kijkt naar de doelstellingen van het optreden.

In dit geval waren er twee doelstellingen: (1) financiële overzichten harmoniseren in de EU en (2) rekening houden met bijzondere situatie van kleine ondernemingen. Met name de eerste doelstelling kan logischerwijs niet door lidstaten zelf worden verwezenlijkt. Dat betekent volgens het Hof dat als je de tweede doelstelling in handen van de lidstaten legt de eerste doelstelling (de harmonisatiedoelstelling) in gevaar komt. De doelstellingen zijn onderling afhankelijk. Het Hof kijkt in de eerste plaats dus toch vooral naar de doelstellingen en niet zozeer naar de omvang en de gevolgen van het optreden.

Het EU-Hof vindt ook dat de Unie-wetgever niet voor ieder richtlijnartikel afzonderlijk hoefde te motiveren of voldaan was aan het subsidiariteitsbeginsel.

Een ander bezwaar van Estland was dat geen rekening was gehouden met de specifieke situatie in Estland, waar de financiële verslaglegging in de ogen van Estland al goed was geregeld volgens internationale standaarden. Het Hof verwerpt dit argument door te oordelen dat de Unie zich niet moet verlaten op de situatie ‘van deze of gene individuele lidstaat’, maar rekening moet houden met de eigen EU-brede doelstellingen ( artikel 3 EU-Verdrag) en met bijzondere bepalingen van de EU-verdragen.

Het EU-Hof overweegt in dit verband:

“53  Het subsidiariteitsbeginsel strekt er immers niet toe om de bevoegdheid van de Unie te begrenzen op basis van de situatie van deze of gene individuele lidstaat, maar vereist slechts dat het overwogen optreden vanwege de omvang of de gevolgen ervan beter kan worden verwezenlijkt door de Unie, rekening houdend met haar in artikel 3 VEU opgesomde doelstellingen en met de op verschillende gebieden geldende bijzondere bepalingen, waaronder met name die op het gebied van de verschillende in de Verdragen vervatte vrijheden, zoals de vrijheid van vestiging.

54      Dit betekent dat, ook al is een lidstaat verder dan andere lidstaten wat betreft een door de Uniewetgever nagestreefde doelstelling, het subsidiariteitsbeginsel er niet toe kan leiden dat een handeling van de Unie ongeldig wordt als gevolg van de specifieke situatie van die lidstaat, wanneer de Uniewetgever, zoals in dit geval, zich op basis van een uitvoerige onderbouwing en zonder daarbij een beoordelingsfout te maken op het standpunt heeft gesteld dat het algemeen belang van de Unie beter kan worden gediend door optreden van de Unie.”

Dit is een opmerkelijk oordeel, aangezien het subsidiariteitsbeginsel vereist te kijken of doelstellingen kunnen worden verwezenlijkt op centraal, regionaal of lokaal niveau. Het wordt lastig deze toets uit te voeren als niet gekeken wordt naar de situatie in deze of gene lidstaat. Waarschijnlijk heeft het Hof hier bedoeld dat de situatie in één bepaalde lidstaat voor de Uniewetgever niet doorslaggevend hoeft te zijn voor de beoordeling of een EU-breed optreden vereist is.  Die aanpak is ook in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, aldus het  EU-Hof.