Richtlijn scheepsverontreiniging blijft overeind

Contentverzamelaar

Richtlijn scheepsverontreiniging blijft overeind
Het EG-Hof heeft op 3 juni jl. in de zaak Intertanko beslist dat de richtlijn betreffende verontreiniging door schepen (Richtlijn 2005/35) niet hoeft te worden getoetst aan het internationale recht. Wel geeft het Hof duidelijkheid over de termen die de richtlijn gebruikt.

De verwijzende rechter had vragen gesteld over de geldigheid van richtlijn 2005/35, omdat deze verder gaat dan een aantal internationale verdragen: het Marpol-verdrag van 2 november 1973 en het zeerechtverdrag van 10 december 1982. De richtlijn beoogt volgens de Britse rechter nu juist de omzetting van deze verdragen in het gemeenschapsrecht te bewerkstelligen.

Ook is de richtlijn mogelijk ongeldig, aldus de rechter, omdat het rechtszekerheidsbeginsel wordt geschonden. De richtlijn bepaalt namelijk dat scheepseigenaren aansprakelijk zijn in het geval van ‘ernstige nalatigheid’, een term die niet verder wordt gepreciseerd. In het Marpol-verdrag is sprake van ‘ roekeloosheid’.

Het Hof stelt allereerst vast dat de gemeenschap geen lid is bij het Marpol-verdrag. Het Hof zal daarom niet toetsen of de richtlijn in overeenstemming is met dit verdrag. De EG is daarentegen wel partij bij het zeerechtverdrag.

Particulieren kunnen volgens het Hof echter geen rechten ontlenen aan het zeerechtverdrag. Het zeerechtverdrag regelt de interstatelijke verhoudingen in het zeerecht, er vloeien enkel verplichtingen uit voort voor staten. Particulieren zoals Intertanko kunnen om deze reden niet de ongeldigheid van de richtlijn inroepen met het zeerechtverdrag in de hand.

De term ‘ernstige nalatigheid’ is niet in strijd is met het rechtszekerheidbeginsel, zo beslist het Hof. De term wordt in elk nationaal recht nader omschreven en de richtlijn geeft zelf aanknopingspunten. Het Hof geeft echter toch voor de duidelijkheid mee wat hieronder verstaan moet worden: Ernstige nalatigheid is een ‘onopzettelijk handelen of nalaten waardoor de persoon een schending begaat van zijn zorgvuldigheidsplicht die hij in acht had moeten en had kunnen nemen, rekening gehouden met zijn hoedanigheid, zijn kennis, zijn vaardigheden en met zijn individuele situatie’. Hiermee maakt het Hof definitief een einde aan enige onzekerheid over dit begrip.