Contentverzamelaar

Talenbeperking voor sollicitanten bij de EU ongeldig
Het EU-Gerecht heeft drie aankondigingen van het EU-personeelsbureau nietig verklaard vanwege de verplichting om Duits, Engels of Frans als tweede taal te kiezen en in de gekozen tweede taal te solliciteren.

Het gaat om het arrest van het EU-Gerecht van 24 september 2015 in de gevoegde zaken T-124/13 et T-191/13, Italië en Spanje tegen EPSO.

In december 2012 en januari 2013 publiceerde het Europees Bureau voor personeelsselectie (EPSO) drie aankondigingen van algemeen vergelijkende onderzoeken voor de vorming van aanwervingsreserves voor diverse functies.

In die aankondigingen werd de eis gesteld dat de kandidaat naast grondige kennis van een van de talen van de Europese Unie, ook behoorlijke kennis moest hebben van het Duits, Engels of Frans. Deze tweede taal moest tevens worden gebruikt voor het afleggen van het vergelijkend onderzoek en als communicatietaal met EPSO. Als verklaring voor deze beperking noemde het EPSO dat dit noodzakelijk is in verband met ‘het belang van de dienst’. Het is daarbij noodzakelijk dat nieuwe collega’s onmiddellijk operationeel zijn en doeltreffend kunnen communiceren, anders zou het functioneren van de instellingen ernstig worden belemmerd.

Bezwaren Italië en Spanje

Italië en Spanje hebben vervolgens verzoekschriften ingediend bij het EU-Gerecht ter nietigverklaring van de aankondigingen. Beide lidstaten stellen dat deze discriminatoir zijn en in strijd met de EU-talenverordening nr. 1. Bovendien bepleiten beide landen dat het in strijd zou zijn met het evenredigheidsbeginsel en met artikel 27 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen, aangezien het selectieproces niet de aanwerving van de beste kandidaten garandeert.

Verordening nr. 1

Het Gerecht oordeelt dat de aankondigingen in strijd zijn met de talenverordening. Artikel 2 van die verordening bepaalt dat de stukken die door een lidstaat of door een persoon onder de jurisdictie van een lidstaat aan de instellingen worden gezonden, in een der officiële talen naar keuze van de afzender gesteld kan worden. Artikel 6 van de verordening biedt de mogelijkheid hiervan af te wijken in het reglement van orde, maar dat is in het geval van EPSO niet gebeurd. Verdere uitzonderingsmogelijkheden biedt de verordening niet. Het Gerecht stelt dan ook dat deze grond reden genoeg is om de bestreden aankondigingen nietig te verklaren, voor zover zij de talen die kunnen worden gebruikt in de communicatie tussen de kandidaten en EPSO beperken tot het Duits, Engels en Frans.

Rechtmatigheidstoets

Ondanks dat de nietigheid gebaseerd kan worden op de verordening, toetst het Gerecht alsnog de eventuele rechtmatigheid om de keuze van de tweede taal door de kandidaten te beperken. Daarbij wordt onderzocht of de in de bestreden aankondigingen opgenomen motivering aantoont, dat de beperking van de keuze van de tweede taal gerechtvaardigd wordt door ‘het belang van de dienst’.  

Het Gerecht wijst op de gebrekkige motivering voor de keuze die er is gemaakt om enkel het Duits, Engels en Frans als tweede taal te selecteren. De stelling dat de drie genoemde talen “nog steeds de meest gebruikte zijn” gelet op “de geschiedenis binnen de EU-instellingen wat betreft de talen die worden gebruikt voor de interne communicatie” is volgens het Gerecht zeer vaag en wordt niet aangevuld met concrete aanwijzingen. Bij nader onderzoek van de statistieken in de onderhavige zaak komt dit niet eenduidig naar voren.

Het Gerecht stelt daarbij vast dat nergens uit blijkt waarom de kennis van de genoemde tweede talen noodzakelijk moet worden geacht voor een nieuw aangeworven ambtenaar of functionaris. Uit bovenstaande vloeit voort dat de Commissie niet heeft kunnen aantonen dat de beperking van de keuze van talen beantwoordt aan het belang van de dienst. De door de Commissie aangedragen argumenten kunnen niet als objectief rechtvaardig of evenredig worden beschouwd. Ook op grond daarvan gaat het Gerecht over tot nietigverklaring van de aankondigingen.