Contentverzamelaar

Turks transportbedrijf heeft binnen de EU een vergunning nodig
De eis dat Turkse transporteurs een vergunning moeten hebben voor wegvervoer over Oostenrijks grondgebied is niet in strijd met de associatie-overeenkomst tussen de EU en Turkije. Dat heeft het EU-Hof geantwoord op vragen van een Oostenrijkse rechter.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 11 juli 2018 in de zaak C-629/16, CX.

CX is directeur van de onderneming FU, die in Turkije is gevestigd en zich toelegt op internationaal goederenvervoer. Bij beschikking van 17 juni 2015 hebben de Oostenrijkse autoriteiten aan CX een geldboete opgelegd ten bedrage van 1 453 EUR, omdat FU een commercieel goederentransport had uitgevoerd zonder te beschikken over de hiervoor vereiste toestemming. Het ging in dit geval om een transport van textiel op 2 april 2015, vanuit Turkije via Oostenrijk naar Duitsland. De vergunning was vereist op grond de Oostenrijkse over de weg en het. CX had, om het goederentransport te kunnen uitvoeren, op grond van de Oostenrijkse wet inzake goederenvervoer toestemming moeten verkrijgen van de minister van Transport, Innovatie en Technologie, dan wel een vergunning op grond van het Oostenrijks-Turkse verdrag inzake internationaal wegvervoer tot vaststelling van een contingent. Toestemming voor een dergelijk goederentransport kan uitsluitend worden verleend als met dit transport een aanmerkelijk publiek belang gemoeid is. De verzoeker moet hierbij aannemelijk maken dat het transport niet kan plaatsvinden middels andere logistieke maatregelen of een ander transportmiddel.

CX heeft voor de Oostenrijkse rechter aangevoerd dat het voor Turkse vervoerders vastgestelde contingent voor vergunningen voor het internationaal goederenvervoer door of naar het grondgebied van de Republiek Oostenrijk ontoereikend is. Daardoor worden deze vervoerders gedwongen gebruik te maken van de „Rollende Landstraße”, die het mogelijk maakt om opleggers per spoor te vervoeren, maar dat extra kosten met zich meebrengt en meer tijd in beslag neemt dan vervoer over de weg. Volgens CX maakt deze jaarlijkse contingentering inbreuk op de tussen de Europese Unie en de Republiek Turkije geldende associatieregeling, in het bijzonder op de artikelen 5 en 6 van besluit nr. 1/95 van de Associatieraad, door het vrije verkeer van goederen binnen deze associatie in te perken en door in strijd met artikel 9 van de overeenkomst EEG-Turkije Turkse vervoerders te discrimineren op grond van hun nationaliteit.

Het EU-Hof beantwoordt de vragen hierover van de Oostenrijkse rechter als volgt.

Vrij verkeer van goederen of vrij verkeer van (vervoers-)diensten?

In dit verband merkt het EU-Hof op dat – in het kader van de overeenkomst EEG-Turkije – het vrije verkeer van goederen, het vrij verrichten van diensten en het vervoer van elkaar gescheiden gebieden vormen, die onderhevig zijn aan verschillende regels, wat een variabele liberalisering van de betrokken markten reflecteert. Terwijl het vrije verkeer van goederen tussen de Unie en Turkije met name wordt geregeld door de bepalingen van besluit nr. 1/95 van de Associatieraad, blijven diensten en vervoer bij de huidige stand van de ontwikkeling van de associatie EEG-Turkije immers overwegend niet-geliberaliseerd.

Om vast te stellen of een nationale wettelijke regeling onder de ene of de andere van deze vrijheden valt, moet volgens vaste rechtspraak rekening te worden gehouden met het voorwerp van de wettelijke regeling. De Oostenrijkse wet voorziet in een vergunningenstelsel voor goederenvervoer op het nationaal grondgebied. Dit stelsel kan voor Turkse vervoerders de vorm aannemen van een vergunning die wordt afgegeven in het kader van het contingent dat is vastgesteld krachtens de wegvervoerovereenkomst Oostenrijk-Turkije, of een vergunning die is afgegeven voor een individueel transport met een aanmerkelijk publiek belang. Voornoemde regeling legt dus beperkingen op voor de toegang van Turkse vervoerders tot de markt van internationaal goederenvervoer over de weg op het Oostenrijkse grondgebied.

Volgens het EU-Hof heeft de Oostenrijkse wet in feite tot doel om voorwaarden vast te stellen waaraan moet worden voldaan voor het verrichten van vervoersdiensten op het Oostenrijkse grondgebied, ongeacht de hoeveelheid vervoerde goederen. De verrichting van vervoersdiensten over Oostenrijks grondgebied hangt voor transportbedrijven die zijn gevestigd in Turkije af van deze toestemming. De nationale regeling reguleert dus specifiek de toegang tot een dienstenmarkt. Daarom moet de Oostenrijkse regeling worden geacht betrekking te hebben op vervoersdiensten en niet op het vrije verkeer van goederen, zodat bepalingen inzake het vrije verkeer van goederen tussen de Republiek Turkije en de Unie, zoals die van besluit nr. 1/95 van de Associatieraad, hier niet van toepassing zijn.

Vervolgens onderzoekt het EU-Hof of de associatie tussen de Republiek Turkije en de Unie een bepaling over vervoersdiensten bevat die zich verzet tegen de Oostenrijkse regeling. Volgens het EU-Hof bestaat bij de huidige stand van de ontwikkeling van de associatie op dit gebied geen bijzondere regeling. De voorwaarden voor de toegang van Turkse vervoerders tot de markt voor vervoer binnen de Unie blijven onderworpen aan de nationale regelgeving van de lidstaten en aan de bilaterale overeenkomsten tussen lidstaten en de Republiek Turkije.

Standstillclausule

Het EU-Hof tekent hierbij aan dat artikel 41, lid 1 van het Aanvullend Protocol bij de associatie-overeenkomst een standstillclausule bevat, die het lidstaten van de Unie verbiedt om nieuwe maatregelen vast te stellen die tot doel of gevolg hebben dat aan de vestiging van een Turks onderdaan of het verlenen van diensten door een Turks onderdaan, strengere voorwaarden worden gesteld dan die welke golden op het moment waarop het Aanvullend Protocol voor de betrokken lidstaat in werking trad. Deze verplichting geldt ook op het gebied van vervoersdiensten. Op deze bepaling kunnen particulieren zich beroepen voor de rechter.

Volgens het Hof is een vergunningvereiste volgens vaste rechtspraak een beperking van het vrij verrichten van diensten. De vraag of de Oostenrijkse regeling een nieuwe beperking is (wat door de Oostenrijkse regering wordt betwist) moet worden beantwoord door de nationale rechterlijke instanties, de enige die bevoegd zijn tot uitlegging van het nationale recht. Zij dienen daarbij vast te stellen of deze regeling nieuw is in die zin dat de situatie van Turkse ondernemers daardoor is verslechterd ten opzichte van de situatie die bestond als gevolg van de regels die in Oostenrijk op hen van toepassing waren op de datum van de inwerkingtreding van het Aanvullend Protocol ten aanzien van die lidstaat, te weten 1 januari 1995. In dit geval lijkt het er geen sprake te zijn van een nieuwe beperking in de zin van artikel 41, lid 1, van het Aanvullend Protocol, gegeven het feit dat de contingenteringsregeling die is voorzien in de overeenkomst Oostenrijk-Turkije reeds gold op het moment van toetreding van de Republiek Oostenrijk tot de Unie.

Discriminatie

Tot slot voert CX aan dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling leidt tot discriminatie, wat in strijd is met artikel 9 van de overeenkomst EEG-Turkije. Daarin is bepaald dat elke discriminatie uit hoofde van nationaliteit binnen de werkingssfeer van die overeenkomst is verboden. De beperkingen van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde contingenteringsregeling gelden immers enkel voor Turkse vervoerders en niet voor in de Unie gevestigde vervoerders.

In dit verband merkt het EU-Hof op dat de contingenteringsregeling niet uitsluitend betrekking heeft op Turkse vervoerders, aangezien de Oostenrijkse autoriteiten hetzelfde soort contingenteringsovereenkomsten hebben gesloten met andere derde landen. Bovendien bepaalt verordening nr. 1072/2009 dat in de Unie gevestigde vervoerders, om actief te mogen zijn op Oostenrijks grondgebied, verplicht zijn om communautaire vergunningen te verkrijgen.

Het door CX aangevoerde verschil in behandeling bestaat enkel in een verschil tussen het normatieve kader dat van toepassing is op in de Unie gevestigde vervoerders en het kader dat van toepassing is op in Turkije of in andere derde landen gevestigde vervoerders. Terwijl eerstgenoemden onderworpen zijn aan de EU-regels inzake internationaal vervoer, zijn op de anderen de regels van toepassing die voortvloeien uit de met name door hun land van vestiging gesloten bilaterale overeenkomsten.

Conclusie

Het EU-Hof concludeert daarom dat de bepalingen van de associatie-overeenkomst EEG-Turkije, het Aanvullend Protocol en besluit nr. 1/95 van de Associatieraad niet in de weg staan aan een vergunningregeling voor goederenvervoer over de weg voor Turkse ondernemingen. Wel moet de Oostenrijkse rechter nog nagaan of deze regeling geen nieuwe beperking omvat voor het vrij verrichten van diensten in de zin van artikel 41, lid 1, van het Aanvullend Protocol.