Contentverzamelaar

Uitleg begrip “rechterlijke autoriteit” en “rechterlijke beslissing” in het kader van het Europees aanhoudingsbevel.
“Rechterlijke autoriteit” en “rechterlijke beslissing” zijn autonome Unierechtelijke begrippen in het kader van het Europees aanhoudingsbevel. Alleen autoriteiten die onderdeel uitmaken van de rechterlijke zijn een “rechterlijke autoriteit”. Het zijn enkel die rechterlijke autoriteiten die een Europees en een nationaal aanhoudingsbevel mogen uitvaardigen. Dat blijkt uit een reeks uitspraken van het EU-Hof.

Het gaat om de arresten van het EU-Hof van 10 november 2016 in de zaken C-452/16 PPU Poltorak, C-453/16 PPU Özçelik en C-477/16 PPU Kolkovas

Poltorak en Kovalkovas

Kovalkovas is een Litouwse staatsburger. Hij is in Litouwen veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf. Met het oog op de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf heeft de Litouwse Minister van Justitie een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd. Poltorak is een Pools staatsburger. Hij is in Zweden veroordeeld voor een vrijheid benemende straf. De Zweedse politiedienst vaardigde ten behoeve van de tenuitvoerlegging van zijn vrijheidsstraf een Europees aanhoudingsbevel uit. Zowel Kovalkovas als Poltorak zijn in Nederland aangehouden. Het is de Nederlandse rechter die zich afvraagt of op basis van deze verzoeken tot overlevering kan worden overgegaan.

Het kaderbesluit 2002/584/JBZ (hierna: kaderbesluit) bepaalt dat het Europees aanhoudingsbevel een „rechterlijke beslissing” is, die moet worden uitgevaardigd door een „rechterlijke autoriteit”. In beide zaken ging het om de vraag of de autoriteiten die het Europees aanhoudingsbevel hadden uitgevaardigd konden worden aangemerkt als een „rechterlijke autoriteit” in de zin van het kaderbesluit.

Doel van het kaderbesluit is om de justitiële samenwerking te vereenvoudigen met betrekking tot de overlevering van personen. Het gaat om personen die veroordeeld zijn voor strafbare feiten of ervan verdacht worden strafbare feiten te hebben gepleegd. De regeling is gebaseerd op het beginsel van wederzijdse erkenning. Op grond van dit uitgangspunt zijn lidstaten in beginsel gehouden om aan een Europees aanhoudingsbevel gevolg te geven. Europese aanhoudingsbevelen die in overeenstemming zijn met het kaderbesluit moeten in beginsel ten uitvoer worden gelegd.

Het Hof oordeelt ten eerste dat de begrippen “rechterlijke autoriteit” en “rechterlijke beslissing” autonome begrippen van Unierecht zijn. Ten tweede bepaalt het Hof dat niet slechts de rechters en de rechterlijke instanties van een betrokken lidstaat ”rechterlijke autoriteiten” zijn, maar dat ook het de autoriteiten kan omvatten die in de betrokken rechtsorde deelnemen aan de rechtsbedeling, zoals een officier van justitie.

Het Hof concludeert dat een orgaan van de uitvoerende macht van een lidstaat zoals een minister of een politiedienst geen “rechterlijke autoriteit” zijn.

Özçelik

Özçelik is een Turks staatsburger. Voor hem is ook een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd. De basis voor dat Europese aanhoudingsbevel was een nationaal aanhoudingsbevel dat door de Hongaarse politie was uitgevaardigd en vervolgens door een lid van het Hongaarse openbaar ministerie was bekrachtigd.

Op grond van het kaderbesluit dient aan het Europees aanhoudingsbevel een „voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis, een aanhoudingsbevel of een andere voor tenuitvoerlegging vatbare gelijkwaardige rechterlijke beslissing bestaat” ten grondslag te liggen.

De verwijzende rechter twijfelde of een nationaal aanhoudingsbevel, uitgevaardigd door een politiedienst en nadien bekrachtigd door een lid van het openbaar ministerie, kan worden aangemerkt als een „rechterlijke beslissing” in de zin van het kaderbesluit en zo als basis kan dienen voor een Europees aanhoudingsbevel.

Het Hof verwijst naar zijn uitspraak in Poltorak (C-452/16 PPU), waarin het oordeelde dat het begrip „rechterlijke autoriteit” in de context van het kaderbesluit zo moet worden opgevat dat het doelt op de autoriteiten die in de lidstaten deelnemen aan de strafrechtsbedeling. Dat betekent dat een nationaal aanhoudingsbevel dat door de politie is uitgevaardigd niet kan worden gebruikt om een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen. Een besluit van een lid van het openbaar ministerie kan wel worden gebruikt.   

Het Hof concludeert dat een aanhoudingsbevel van de politie dat wordt bekrachtigd door van een lid van het openbaar ministerie kan worden beschouwd als een beslissing van een lid van dat openbaar ministerie. Het kan worden beschouwd als een „rechterlijke beslissing” in de zin van het kaderbesluit en kan dus als grondslag worden gebruikt voor een Europees Aanhoudingsbevel.