Verbod van dubbele vervolging geldt alleen als straf is uitgezeten

Contentverzamelaar

Verbod van dubbele vervolging geldt alleen als straf is uitgezeten
Het Schengen-verbod van dubbele vervolging geldt alleen wanneer de straf ten uitvoer is gelegd. Deze beperking is volgens het Hof verenigbaar met het Handvest Grondrechten en dus toegestaan.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 27 mei 2014, in de zaak C-129/14 PPU, Spasic.

Spasic, een Servisch staatsburger, wordt in verschillende lidstaten vervolgd voor oplichting in georganiseerd verband. Er zijn tegen hem Europese en nationale aanhoudingsbevelen uitgevaardigd. In 2012 wordt hij in Milaan onherroepelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf en een geldboete. De boete heeft hij betaald, de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf is echter opgeschort. Op basis van deze veroordeling komt Spasic op tegen vervolging in Duitsland, omdat hij de tweede vervolging in strijd acht met het beginsel “ne bis in idem” (niet twee keer voor hetzelfde feit).

Ter discussie staat artikel 54 van de Schengen uitvoeringsovereenkomst (SUO) dat het verbod van dubbele vervolging aan de voorwaarde verbindt dat de opgelegde straf ten uitvoer gelegd moet zijn en of dit een toelaatbare beperking is in de zin van artikel 50 van het Handvest Grondrechten, dat ook gaat over het verbod van dubbele vervolging.

Allereerst stelt het Hof dat de beperking door artikel 54 SUO verenigbaar is met artikel 50 Handvest, omdat in de toelichtingen bij het Handvest wordt bepaald dat artikel 54 SUO onder artikel 52 lid 1 van het Handvest valt. Volgens dit artikel moeten beperkingen van het Handvest bij wet worden gesteld, de wezenlijke inhoud van de rechten eerbiedigen en voldoen aan het evenredigheidsbeginsel.

In kader van deze toets stelt het Hof vast dat de beperking bij wet is gesteld, namelijk in artikel 54 SUO. Ook wordt de wezenlijke inhoud van het “ne bis in idem”-beginsel geëerbiedigd, omdat de tenuitvoerleggingsvoorwaarde beoogt te voorkomen dat iemand ongestraft blijft wanneer de beoordelende staat de onherroepelijk opgelegde straf niet laat uitvoeren. Daarbij is de tenuitvoerleggingsvoorwaarde geschikt om de beoogde Uniedoelstelling te bereiken, namelijk het waarborgen van een hoog niveau van veiligheid in een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht. Er bestaan in dit kader al veel instrumenten ter bevordering van samenwerking tussen lidstaten in strafzaken. Bij deze instrumenten ontbreekt echter de mogelijkheid te garanderen dat personen die in een andere lidstaat onherroepelijk zijn veroordeeld hun straf niet ontlopen. Dit wordt opgevangen door artikel 54 SUO, zonder dat de kans bestaat dat iemand opnieuw veroordeeld wordt voor een strafbaar feit waarvoor de straf daadwerkelijk ten uitvoer is gelegd. Daarom gaat de tenuitvoerleggingsvoorwaarde niet verder dan noodzakelijk is. Hieruit volgt dat de tenuitvoerleggingsvoorwaarde van artikel 54 SUO is toegestaan.

Tot slot oordeelt het EU-Hof dat wanneer twee hoofdstraffen (hier: gevangenisstraf en geldboete) zijn opgelegd, per straf bepaald moet worden of de straf is ondergaan in de zin van artikel 54 SUO.