Contentverzamelaar

Visserijverdrag EU-Marokko geldt niet voor Westelijke Sahara
De EU-Marokko partnerschapsovereenkomst inzake visserij en het bijbehorende protocol zijn niet van toepassing op de wateren aangrenzend aan de Westelijke Sahara. Daarom zijn de EU-handelingen over de sluiting van deze verdragen en over de verdeling van de vangstmogelijkheden geldig. Dat antwoordt het EU-Hof op vragen van een Britse rechter. Het is de eerste keer dat het EU-Hof prejudiciële vragen over de geldigheid van een internationale overeenkomst beantwoordt.

Het gaat om het arrest van de Grote Kamer van het EU-Hof van 27 februari 2018 in de zaak C-266/16, Western Sahara Campaign.

De uitspraak van het EU-Hof is in lijn met de eerdere uitspraak in de zaak C-104/16 P (Raad tegen Polisario), waarin het EU-Hof heeft geoordeeld dat het associatieakkoord en het vrijhandelsakkoord tussen de EU en Marokko voor landbouw- en visserijproducten niet van toepassing zijn op de Westelijke Sahara.

Deze zaak betreft prejudiciële vragen van de Britse rechter aan het EU-Hof over de geldigheid van de EU-Marokko partnerschapsovereenkomst inzake visserij en het bijbehorende protocol tussen de EU en Marokko, en de EU-handelingen over de sluiting van deze verdragen ( Verordening 764/2006 en Besluit 2013/785) en over de verdeling van de vangstmogelijkheden ( Verordening 1270/2013).

Het EU-Hof merkt allereerst op dat de vragen van de Britse rechter gebaseerd zijn op de hypothese dat op grond van de EU-Marokko partnerschapsovereenkomst inzake visserij en het bijbehorende protocol de natuurlijke rijkdommen uit de wateren die grenzen aan het grondgebied van de Westelijke Sahara mogen worden geëxploiteerd. De Britse rechter vraagt zich af of de EU handelingen tot sluiting en implementatie van deze verdragen geldig zijn, gelet op artikel 3, lid 5, EU-Verdrag. Uit die bepaling volgt namelijk onder andere dat de Unie - in haar optreden naar buiten toe – mensenrechten moet beschermen en het internationaal recht dient te waarborgen.

Voor de beantwoording van de vragen van de Britse rechter is volgens het EU-Hof van belang om vast te stellen of de EU-Marokko partnerschapsovereenkomst inzake visserij en het bijbehorende protocol tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie inderdaad van toepassing zijn op de wateren die grenzen aan het grondgebied van de Westelijke Sahara.

Volgens het EU-Hof bevat de EU-Marokko partnerschapsovereenkomst inzake visserij drie bepalingen die de territoriale werkingssfeer ervan vaststellen:

  • O.g.v. art.11 is de overeenkomst van toepassing “ op het grondgebied van Marokko en de wateren onder Marrokaanse jurisdictie”.

  • Artikel 5 van die overeenkomst bepaalt dat het vaartuigen die de vlag van een lidstaat voeren, is toegestaan „ in [de] visserijzones [van het Koninkrijk Marokko] te [...] vissen”. Ten slotte bepaalt  artikel 2, onder a), dat het begrip „Marokkaanse visserijzone” verwijst naar de „ wateren waarover het Koninkrijk Marokko de soevereiniteit of de jurisdictie bezit”.

Voorts wijst het EU-Hof erop dat zowel uit de preambule van de partnerschapsovereenkomst inzake visserij als uit artikel 1 van het Protocol blijkt dat zowel de Partnerschapsovereenkomst als het protocol passen in het kader van de EU-Marokkko Associatieovereenkomst en bijdraagt aan de doelstellingen daarvan.

Het begrip „grondgebied van Marokko” in artikel 11 van de Partnerschapsovereenkomst dient daarom volgens het EU-Hof op dezelfde manier te worden uitgelegd als het begrip “grondgebied van [het Koninkrijk] Marokko” in artikel 94 van de Associatieovereenkomst.

Het EU-Hof verwijst hierbij naar zijn eerdere uitspraak in Zaak C-104/16 P (Raad tegen Polisario), waarin het EU-Hof heeft geoordeeld dat het associatieakkoord en het vrijhandelsakkoord tussen de EU en Marokko voor landbouw- en visserijproducten niet van toepassing zijn op de Westelijke Sahara. In die zaak heeft het EU-Hof vastgesteld dat het begrip “ grondgebied van het Koninkrijk Marokko” niet de Westelijke Sahara omvat, gezien het recht op zelfbeschikking van de bevolking van de Westelijke Sahara en de daarop gebaseerde status van de Westelijke Sahara als niet-zelf besturend gebied onder het Handvest van de Verenigde Naties.

Voor wat betreft de uitleg van de “ wateren waarover het Koninkrijk Marokko de soevereniteit of de jurisdictie bezit” geeft het EU-Hof aan dat de wateren waarover een kuststaat op grond van het Zeerechtverdrag soevereiniteit of rechtsmacht mag uitoefenen zich enkel uitstrekken tot de wateren die aan zijn grondgebied grenzen en die behoren tot zijn territoriale zee of tot zijn exclusieve economische zone (EEZ).

Gelet op het feit dat het grondgebied van de Westelijke Sahara geen deel uitmaakt van het grondgebied van het Koninkrijk Marokko, behoren de wateren die grenzen aan het grondgebied van de Westelijke Sahara daarom óók niet tot de in de Partnerschapsovereenkomst bedoelde Marokkaanse visserijzone.

Het EU-Hof benadrukt hierbij nog eens dat het in strijd zou zijn met de volkenrechtenlijkeregels die de Unie moet eerbiedingen, indien de wateren die rechtstreeks aan de kust van het grondgebied van de Westelijke Sahara grenzen wèl onder het toepassingsbied van de EU-Marokko partnerschapsovereenkomst zouden vallen.

Wat betreft de uitdrukking „wateren waarover het Koninkrijk Marokko [...] de jurisdictie bezit”, hebben de Raad en de Commissie, naast andere hypothesen, in overweging genomen dat het Koninkrijk Marokko kan worden aangemerkt als een het grondgebied van de Westelijke Sahara „de facto besturende mogendheid” of bezettende mogendheid, en dat deze kwalificatie relevant zou kunnen zijn voor de vaststelling van het toepassingsgebied van de Partnerschapsovereenkomst.

In dit verband volstaat het EU-Hof met de opmerking dat het Koninkrijk Marokko categorisch heeft uitgesloten dat het een het grondgebied van de Westelijke Sahara bezettende mogendheid of besturende mogendheid is.

Voor wat betreft het Protocol merkt het EU-Hof op dat dit geen specifieke bepalingen bevat die de territoriale werkingssfeer ervan vaststellen. Het begrip “Marokkaanse visserijzone” in het protocol moet daarom op dezelfde manier worden uitgelegd als in de Partnerschapsovereenkomst, namelijk een verwijzing naar de wateren waarover het Koninkrijk Marokko de soevereiniteit of de jurisdictie bezit.

Het EU-Hof concludeert daarom dat zowel de EU-Marokko partnerschapsovereenkomst inzake visserij als het bijbehorende protocol niet van toepassing zijn op de wateren die grenzen aan het grondgebied van de Westelijke Sahara.

De EU-handelingen over de sluiting van deze verdragen en over de verdeling van de vangstmogelijkheden zijn daarom volgens het EU-Hof geldig.

Meer info: