VK moet EU-verblijfsrecht geven aan Algerijnse man van Spaans-Britse vrouw

Contentverzamelaar

VK moet EU-verblijfsrecht geven aan Algerijnse man van Spaans-Britse vrouw
Een derdelander die familielid is van een EU-burger komt in aanmerking voor een verblijfsrecht in de lidstaat waarin deze burger al heeft verbleven vóór deze de nationaliteit van die lidstaat verwierf met behoud van haar oorspronkelijke nationaliteit. De voorwaarden voor toekenning van dit verblijfsrecht mogen niet strenger zijn dan die in de richtlijn betreffende het recht van vrij verkeer van EU-burgers. Dat heeft het EU-Hof geantwoord op vragen van een Britse rechter.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 14 november 2017 in de zaak C-165/16.

Een Algerijnse man is in 2010 met een bezoekersvisum voor zes maanden het Verenigd Koninkrijk binnengekomen. Daarna is hij illegaal op het Britse grondgebied gebleven. Een Spaanse vrouw is in 1996 als studente naar het Verenigd Koninkrijk gekomen. Sinds 2004 werkt zij er voltijds en verblijft zij er. In 2009 heeft zij door naturalisatie het Britse staatsburgerschap verkregen met behoud van haar Spaanse nationaliteit.

In 2014 zijn beiden getrouwd. Na dit huwelijk heeft de man in het Verenigd Koninkrijk verzocht om afgifte van een verblijfskaart als familielid van een burger van de Europese Economische Ruimte (EER).

Dit verzoek werd afgewezen. De vrouw werd volgens de Britse wet tot omzetting van de richtlijn 2004/38 betreffende het recht van vrij verkeer van EU-burgers niet meer als „EER-burger” beschouwd sinds zij het Britse staatsburgerschap had verkregen. De man kon dus geen aanspraak maken op een verblijfskaart als familielid van een EER-burger.

In zijn arrest herinnert het Hof er allereerst aan dat de richtlijn de familieleden van een EU-burger die derdelanders zijn, geen autonoom recht verleent, maar slechts rechten die zijn afgeleid van die welke de betrokken EU-burger geniet door het feit hij zijn recht van vrij verkeer heeft uitgeoefend.

Vervolgens wijst het Hof erop dat volgens de richtlijn de EU-burgers die zich begeven naar of verblijven in „een andere lidstaat dan die waarvan [z]ij de nationaliteit bezit[ten]”, en hun familieleden die hen begeleiden of zich bij hen voegen, de begunstigden van de bij deze richtlijn verleende rechten zijn (artikel 3, lid 1 van de richtlijn). Verder beklemtoont het Hof dat de richtlijn, die de voorwaarden regelt waaronder de EU-burgers het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten kunnen uitoefenen, niet ertoe strekt het verblijf van EU-burgers in de lidstaat waarvan zij de nationaliteit hebben, te regelen, aangezien deze burgers daar een onvoorwaardelijk verblijfsrecht genieten op grond van een beginsel van internationaal recht. Het Hof is dan ook van oordeel dat de richtlijn uitsluitend de voorwaarden regelt waaronder een EU-burger kan binnenkomen en verblijven in andere lidstaten dan de lidstaat waarvan hij de nationaliteit heeft, en dat op deze richtlijn voor derdelanders die familieleden van een EU-burger zijn, geen afgeleid verblijfsrecht in de lidstaat waarvan die burger de nationaliteit heeft, kan worden gebaseerd.

In dit geval staat vast dat de vrouw, toen zij in 1996 Spanje verliet om naar het Verenigd Koninkrijk te gaan, haar recht van vrij verkeer uitoefende, en dat zij de hoedanigheid van „begunstigde” van de richtlijn had totdat zij het Britse staatsburgerschap verkreeg. Maar het Hof wijst erop dat de man sindsdien verblijft in een van de lidstaten waarvan zij de nationaliteit heeft, en waar zij dus overeenkomstig het internationale recht een onvoorwaardelijk verblijfsrecht geniet.

Het Hof oordeelt dan ook dat, sinds de vrouw het Britse staatsburgerschap heeft verkregen, de richtlijn haar verblijf in het Verenigd Koninkrijk niet meer regelt en dus niet meer van toepassing is op haar situatie. Aan deze slotsom wordt niet afgedaan door de omstandigheid dat de vrouw van haar recht van vrij verkeer gebruik heeft gemaakt door zich naar het Verenigd Koninkrijk te begeven en daar te verblijven en haar Spaanse nationaliteit heeft behouden naast haar Brits staatsburgerschap, aangezien de vrouw sinds de verkrijging van dit staatsburgerschap niet meer verblijft „in een andere lidstaat dan die waarvan [z]ij de nationaliteit bezit” in de zin van deze richtlijn. Bijgevolg komt haar echtgenoot niet in aanmerking voor een afgeleid verblijfsrecht in het Verenigd Koninkrijk op grond van de richtlijn.

Het Hof is echter van oordeel dat dient te worden uitgemaakt of de man in deze lidstaat een afgeleid verblijfsrecht kan krijgen op grond van artikel 21, lid 1, EU-Werkingsverdrag (VWEU). Volgens deze bepaling heeft iedere EU-burger het recht vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven. Een derdelander die familielid is van een EU-burger, kan in bepaalde gevallen op grond van deze bepaling een afgeleid verblijfsrecht verkrijgen indien de toekenning van een dergelijk recht noodzakelijk is om te verzekeren dat de betrokken EU-burger zijn recht van vrij verkeer en de rechten die hij aan bovengenoemde bepaling ontleent, daadwerkelijk kan uitoefenen.

Het Hof oordeelt dat de rechten die artikel 21, lid 1, VWEU aan de EU-burgers verleent, in het bijzonder het recht om samen met hun familieleden een normaal familieleven te leiden in de gastlidstaat, nuttig effect moeten hebben. Dat kan alleen indien een burger in een situatie als die van de vrouw in de gastlidstaat dat recht blijft genieten nadat zij de nationaliteit van die lidstaat heeft verworven met behoud van haar oorspronkelijke nationaliteit. Zij moet in het bijzonder een familieleven kunnen leiden met haar echtgenoot die derdelander is, doordat aan deze laatste een afgeleid verblijfsrecht wordt toegekend.

Volgens het Hof zou elke andere uitlegging erop neerkomen dat de vrouw op dezelfde wijze wordt behandeld als een Britse staatsburger die het Verenigd Koninkrijk nooit heeft verlaten, zonder dat rekening wordt gehouden met de omstandigheid dat zij van haar recht van vrij verkeer gebruik heeft gemaakt door zich op het grondgebied van die lidstaat te vestigen en dat zij haar Spaanse nationaliteit heeft behouden. Voorts zou het oordeel dat een EU-burger in de situatie van de vrouw het recht om een normaal familieleven te leiden in de gastlidstaat verliest doordat hij bij wege van naturalisatie in die lidstaat nog beter in de samenleving van die lidstaat heeft willen integreren, ingaan tegen de logica van geleidelijke integratie in de samenleving van de gastlidstaat, die artikel 21, lid 1, VWEU beoogt te bevorderen.

Daarom is het Hof van oordeel dat een derdelander in de situatie van de man op grond van artikel 21, lid 1, VWEU in aanmerking komt voor een afgeleid verblijfsrecht in het Verenigd Koninkrijk onder voorwaarden die niet strenger mogen zijn dan die welke in de richtlijn zijn vastgesteld voor de toekenning van een dergelijk recht aan een derdelander die familielid is van een EU-burger die zijn recht van vrij verkeer heeft uitgeoefend door zich te vestigen in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit.