VN-Gehandicaptenverdrag heeft geen rechtstreekse werking in EU

Contentverzamelaar

VN-Gehandicaptenverdrag heeft geen rechtstreekse werking in EU
De bepalingen van het VN-Gehandicaptenverdrag, waarbij de EU en de lidstaten partij zijn, zijn inhoudelijk niet onvoorwaardelijk en onvoldoende nauwkeurig om rechtstreekse werking in het Unierecht te hebben. De geldigheid van EU-richtlijnen kan daarom niet worden getoetst aan dit verdrag. Dat heeft het EU-Hof geantwoord op vragen van een Ierse rechter.

Het betreft hier het arrest van het EU-Hof van 18 maart 2014 in de zaak C-363/12 (Z.). Lees over dit arrest ook het ECER-bericht Geen bevallingsverlof, adoptieverlof of gelijkwaardig betaald verlof voor wensmoeders.

In deze zaak werd de ongeldigheid aangevoerd van richtlijn 2000/78 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep wegens strijd met het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap.

Een handeling van de Unie kan ongeldig zijn wegens onverenigbaarheid met regels van internationaal recht. Wanneer deze ongeldigheid voor een nationale rechter wordt aangevoerd, gaat het Hof na of partijen zich op het verdrag kunnen beroepen, m.a.w. of het verdrag rechtstreekse werking heeft. Dat is het geval als het verdrag een duidelijke en nauwkeurig omschreven verplichting bevat, voor de uitvoering of werking waarvan geen verdere handeling is vereist.

Het EU-Hof wijst erop dat artikel 4, lid 1, van het VN-Verdrag met name de staten die partij zijn verplicht tot het aannemen van alle relevante wetgevende, bestuurlijke en andere maatregelen voor de tenuitvoerlegging van de in dat verdrag erkende rechten. Voorts bepaalt artikel 4, lid 3, van het VN-Verdrag dat de verdragsluitende staten bij de ontwikkeling en implementatie van wetgeving en beleid tot uitvoering van het verdrag en bij andere besluitvormingsprocessen betreffende aangelegenheden die betrekking hebben op personen met een handicap, nauw overleg plegen met personen met een handicap, met inbegrip van kinderen met een handicap, en hen daar actief bij betrekken via hun representatieve organisaties.

Het VN-Verdrag heeft dus een programma-karakter aangezien de daarin vastgestelde verplichtingen tot de staten zijn gericht. De uitvoering of werking van de bepalingen van het VN-Verdrag vereisen nadere handelingen van de partijen bij het verdrag. In dat verband bevat bijlage II bij besluit 2010/48 een verklaring betreffende de bevoegdheid van de Unie met betrekking tot aangelegenheden die zijn geregeld bij het VN-Verdrag en de handelingen van de Unie die verwijzen naar aangelegenheden waarop dat verdrag van toepassing is.

Het EU-Hof concludeert dan ook dat de bepalingen van het verdrag inhoudelijk niet onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn, en dus geen directe werking in het Unierecht hebben. De geldigheid van richtlijn 2000/78 kan derhalve niet worden getoetst aan het VN-Verdrag.