Contentverzamelaar

Wettelijke minimumprijzen voor alcohol onder voorwaarden geoorloofd
Een minimumdetailhandelsprijs voor alcohol is in strijd met het vrije verkeer van goederen. Maar hij kan onder voorwaarden gerechtvaardigd zijn ter bescherming van de menselijke gezondheid en het bestrijden van alcoholmisbruik. Dat is het advies van advocaat-generaal Bot aan het EU-Hof op vragen van een Schotse rechter.

Het gaat om de conclusie van advocaat-generaal Bot van 3 september 205 in de zaak C-333/14, The Scotch Whisky Association e.a. tegen The Scottish Ministers e.a.

De Schotse wetgever is van plan een wettelijke minimumprijs in te voeren voor alle

alcoholhoudende dranken, inclusief wijn. Naar aanleiding van klachten van producenten heeft het Schotse Court of Session enkele vragen gesteld aan het EU-Hof.

De advocaat-generaal overweegt in de eerste plaats dat de gemeenschappelijke markt ordening-verordening 1308/2013, die van toepassing is op de markt voor wijn, zich niet verzet tegen wettelijke minimumprijzen voor wijn.

In tegenstelling tot vroeger, bevat deze GMO-verordening thans geen stelsel van prijsstelling meer, zodat zij in ieder geval op dat punt niet aan een nationale wettelijke minimumprijs in de weg staat. De advocaat-generaal vindt de wettelijke minimumprijs voor alcoholhoudende dranken echter in beginsel in strijd met de strekking van de GMO-verordening, nu uit het ontbreken van een prijsstelling voortvloeit dat er vrije mededinging tussen producenten moet zijn. Maatregelen ter bescherming van de volksgezondheid en ter voorkoming van alcoholmisbruik, kunnen op grond van de GMO-verordening echter een rechtvaardiging vormen indien zij evenredig zijn aan dat doel.

In de tweede plaats constateert de advocaat-generaal dat een wettelijke minimumprijs voor alcoholhoudende dranken moet worden bestempeld als een maatregel van gelijke werking als kwantitatieve invoerbeperkingen, die wordt verboden door artikel 34 EU-Werkingsverdrag. Wettelijke minimumprijzen belemmeren de toegang tot de markt voor producenten uit andere lidstaten, nu zij niet kunnen profiteren van eventuele lagere productiekosten door hun product tegen een lagere prijs op de markt aan te bieden. Het feit dat een dergelijke maatregel in de ogen van de advocaat-generaal gekwalificeerd kan worden als “verkoopmodaliteit” in de zin van het arrest Keck en Mithouard, gevoegde zaken C-267/91 en 268/91, neemt niet weg dat zij bezien wordt als een belemmering, vanwege het (indirecte) discriminatoire effect op buitenlandse marktdeelnemers.

Ook hier kan de maatregel evenwel geoorloofd zijn uit hoofde van artikel 36 EU-Werkingsverdrag, indien deze dient ter bescherming van de gezondheid en het leven van personen. De maatregel dient dan wel, ten eerste, geschikt te zijn om dit doel te bereiken. Ten tweede dient zij noodzakelijk te zijn ten opzichte van het doel. De vraag is, in dat verband, of er geen andere maatregelen denkbaar zijn die minder beperkend zijn voor het handelsverkeer. Te denken valt aan een hogere belasting, in plaats van een wettelijke minimumprijs. Een wettelijk stelsel van minimumprijzen is in dat verband slechts geoorloofd indien de lidstaat aantoont dat de gekozen maatregen bijkomende voordelen of minder nadelen heeft in vergelijking met een minder beperkende alternatieve maatregel. Ten derde dient de evenredigheid in strikte zin te worden beoordeeld, namelijk de verhouding tussen het belang dat de maatregel dient en de beperking van het vrije verkeer die de maatregel met zich brengt. Deze moeten in evenwicht zijn. Het is aan de verwijzende rechter om deze afweging te maken, op basis van de door partijen in de nationale procedure aangevoerde feiten.