C-100/19 Viasat UK et Viasat

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

 

Termijnen: Motivering departement: 27 maart 2019
Schriftelijke opmerkingen: 13 mei 2019

Trefwoorden : telecom; satelliet;

Onderwerp :

- Beschikking nr. 626/2008/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 2008 inzake de selectie en machtiging van systemen die mobiele satellietdiensten (MSS) leveren (hierna: MSS-beschikking);

- Besluit 2011/667/EU van de Commissie over regelingen voor gecoördineerde toepassing van de handhavingsregels met betrekking tot mobiele satellietdiensten (MSS) overeenkomstig artikel 9, lid 3, van beschikking nr. 626/2008/EG van het Europees Parlement en de Raad;

 

Feiten:

Inmarsat is een van de twee exploitanten die in de EU gebruik mogen maken van de 2 GHz-frequentieband voor het leveren van mobiele satellietdiensten (hierna: MSS). Inmarsat ontwikkelt op die 2 GHz-band een EAN-dienst (European Aviation Network); dat is een constante breedband-internettoegang op alle vluchten in de EU waarbij gebruik wordt gemaakt van een satelliet en van een netwerk van 4G-antennes op de grond (de zogeheten ‘complementaire grondcomponenten’, hierna: CGC). Inmarsat beweert de nodige machtigingen te hebben aangevraagd en verkregen voor het plaatsen van de CGC in alle lidstaten van de EU (met uitzondering van Roemenië), alsmede in Noorwegen en Zwitserland. Bij besluit van 07.08.2018 heeft het Belgisch instituut voor postdiensten en telecommunicatie (hierna: BIPT) Immarsat gebruiksrechten verleend voor zes CGC in België. Viasat biedt verschillende soorten satellietdiensten op de markt aan en levert met name, in partnerschap met Eutelsat, zogeheten inflight connectivity-diensten (IFC) aan luchtvaartmaatschappijen die actief zijn binnen de EU. Viasat stelt dat de EAN-dienst niet overeenstemt met het project op basis waarvan Inmarsat door de Commissie is geselecteerd en dat deze niet langer aan het Europese regelgevingskader voldoet. Viasat protesteert in het algemeen tegen dit gebruik van de 2 GHz-band dat voornamelijk uit zogeheten luchtgronddiensten bestaat, zonder tussenkomst van de satelliet, en niet uit mobiele satellietdiensten. Verder verwijt zij de Commissie dat zij niets tegen dit afwijkende gebruik doet. Daarom heeft zij op 24.04.2017 bij het Gerecht beroep wegens nalaten ingesteld (zaak T-245/17). Daarnaast heeft Viasat in meerdere lidstaten beroep ingesteld tegen de nationale machtigingen die aan Inmarsat zijn afgegeven voor CGC die zij voor haar EAN-dienst heeft geïnstalleerd. In casu betwist Viasat de door het BIPT verleende machtiging voor zes in België gestationeerde CGC en verzoekt zij bij de verwijzende rechter om intrekking ervan. Eutelsat is in de procedure geïntervenieerd aan de zijde van Viasat.

 

Overweging:

De dekkingsvoorwaarden waaraan de exploitanten dienen te voldoen, zijn vastgesteld in de MSS-beschikking van het Europees Parlement en de Raad; artikel 3 van het koninklijk besluit MSS neemt deze dekkingsvoorwaarden over. Deze nationale bepaling verschilt echter van die in artikel 4(1)c) van de MSS-beschikking, voor zover deze laatste betrekking heeft op een toezegging die de exploitant moet doen bij zijn aanvraag vóór zijn selectie. Artikel 4(1)c) van de MSS-beschikking bepaalt dat elke aanvrager bij zijn aanvraag met betrekking tot het dekkingsgebied o.a. toezegt dat: de MSS in alle lidstaten en voor „ten minste 50% van de bevolking beschikbaar is en ten minste 60% van het totale landoppervlak van elke lidstaat bestrijkt op een door de aanvrager aan te geven tijdstip doch niet later dan [...] 13 juni 2016. In casu heeft de verwijzende rechter benadrukt dat het opgelegde tijdschema niet is nagekomen en dit ook niet meer mogelijk is. In dit verband kan worden gesteld dat de geselecteerde aanvrager die op 13 juni 2016 niet voldoet aan de dekkingsverplichting in wezen niet langer over de rechten voor het gebruik van de radiofrequenties op de 2 GHz-band beschikt, noch over het recht om een mobiel satellietsysteem te exploiteren. De verwijzende rechter is van oordeel dat aan het Hof een vraag dient te worden gesteld over de uitlegging van artikel 4(1)c), artikel 7(1) en artikel 8(1) van de MSS-beschikking van het Europees Parlement en de Raad. Het betreft een vraag over de uitlegging die van algemeen belang is voor de uniforme toepassing van het Unierecht, gelet op het grote aantal lopende procedures in de lidstaten.

 

Prejudiciële vragen:

1. Dienen artikel 4, lid 1, onder c), ii), artikel 7, lid 1, en artikel 8, lid 1, van beschikking 626/2008/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 2008 inzake de selectie en machtiging van systemen die mobiele satellietdiensten (MSS) leveren, aldus te worden uitgelegd dat de in artikel 8, lid 1, van deze beschikking bedoelde bevoegde instanties in de lidstaten, in geval vast is komen te staan dat de overeenkomstig titel II van deze beschikking geselecteerde exploitant geen mobiele satellietdiensten door middel van een mobiel satellietsysteem heeft geleverd tegen de uiterste datum bedoeld in artikel 4, lid 1, onder c), ii), van deze beschikking, moeten weigeren machtigingen te verlenen voor de uitrol van complementaire grondcomponenten aan die exploitant op grond dat deze exploitant de tijdens zijn aanvraag gedane toezegging niet is nagekomen?

2. In geval de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord: dienen deze bepalingen aldus te worden uitgelegd dat de in artikel 8, lid 1, van dezelfde beschikking bedoelde bevoegde instanties in de lidstaten in dezelfde context kunnen weigeren machtigingen voor complementaire grondcomponenten aan die exploitant te verlenen op grond dat deze zijn toezegging omtrent de dekking op 13 juni 2016 niet is nagekomen?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: EZK

​​​​​​​