C-104/19 Donex Shipping and Forwarding

Prejudiciële hofzaak C-104/19 Donex Shipping and Forwarding


Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 11 april 2019
Schriftelijke opmerkingen: 28 mei 2019

Trefwoorden : antidumping; belasting

Onderwerp :

- Verordening (EG) nr. 91/2009 van de Raad van 26 januari 2009 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde soorten ijzeren of stalen bevestigingsmiddelen van oorsprong uit de Volksrepubliek China;

- Uitvoeringsverordening (EU) nr. 924/2012 van de Raad van 4 oktober 2012 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 91/2009 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde soorten ijzeren of stalen bevestigingsmiddelen van oorsprong uit de Volksrepubliek China;

- Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap; (hierna: basisverdordening);

 

Feiten:

Donex Shipping and Forwarding B.V. (belanghebbende) heeft in 2011 aangiften gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van ijzeren of stalen bevestigingsmiddelen. Na onderzoek door het antifraudebureau van de Commissie, heeft de Inspecteur van de belastingdienst belanghebbende uitnodigingen tot betaling van de antidumpingrechten gestuurd, omdat de bevestigingsmiddelen uit China afkomstig bleken te zijn. Naar aanleiding van een klacht van China bij de Wereldhandelsorganisatie (WTO) is een onderzoek ingesteld naar de verenigbaarheid van verordening 91/2009 met GATT 1994 (WTO-antidumpingsovereenkomst). Als gevolg zijn bij uitvoeringsverordening 924/2012 de antidumpingrechten verlaagd van 85% naar 74,1% en uitgebreid tot andere ondernemingen. Vervolgens had de WTO een ‘nalevingspanel’ ingesteld welke tot de conclusie kwam dat ook de gewijzigde antidumpingmaatregelen niet in overeenstemming zijn met diverse bepalingen van GATT 1994. De antidumpingmaatregelen werden daarom weer ingetrokken (uitvoeringsverordening 2016/278). Belanghebbende vindt dat verordening 91/2009 ongeldig moet worden verklaard omdat het onderzoek naar dumpingmarges in strijd met artikel 2(11) van de basisverordening is uitgevoerd: bepaalde exporttransacties zijn buiten beschouwing gelaten (waar geen normale waarde voor was). Verder zou de prijsvergelijking zijn uitgevoerd in strijd met artikel 2(10) van de basisverordening omdat de Commissie niet had mogen weigeren correcties toe te passen. Ook zou de Commissie de Chinese producenten niet tijdig hebben voorzien in de benodigde informatie (gegevens van Indiase producent) waardoor de Chinese producenten niet in staat waren om hun verzoek om correcties goed te onderbouwen. Belanghebbende heeft daarom beroep ingesteld bij de Rechtbank Noord-Holland en ging vervolgens in hoger beroep bij het Gerechtshof Amsterdam.

 

Overweging:

De vraag rijst of hetgeen het Hof over de uitleg en de toepassing van artikel 2(11) van de basisverordening in het arrest Changshu heeft geoordeeld, alsmede de nietigverklaring die het Hof vanwege de schending heeft verbonden aan verordening 924/2012 (t.a.v. de betrokken Chinese producenten/exporteurs die het beroep hadden ingesteld), ook geldt ten aanzien van een importeur in de Unie die producten heeft aangekocht van Chinese exporteurs/producenten die geen medewerking hebben verleend. Zo ja, is dan de schending van artikel 2(11) van de basisverordening zo ernstig dat verordening 91/2009 ten aanzien van de importeur in de Unie ongeldig moet worden verklaard, met als gevolg dat een rechtsgrondslag ontbreekt voor een aan die importeur opgelegde (na)heffing van antidumpingrechten? Indien de instellingen van de Unie bij hun onderzoek naar het bestaan van dumping artikel 2(11) van de basisverordening hebben geschonden en/of meewerkende Chinese producenten/exporteurs tijdens het onderzoek niet (tijdig) hebben voorzien van alle gegevens van de Indiase producent met betrekking tot de vaststelling van de normale waarde, rijst de vraag of die schending zwaarwegend genoeg is om verordening 91/2009 ten aanzien van importeurs als belanghebbende ongeldig te verklaren.

 

Prejudiciële vragen:

1. Is Verordening (EG) nr. 91/2009 ongeldig ten aanzien van een importeur in de Unie wegens schending van artikel 2, lid 11, van Verordening (EG) nr. 384/96, omdat de Raad voor de vaststelling van de dumpingmarge voor de betrokken producten van niet-meewerkende Chinese producenten/exporteurs bij de in dat artikellid bedoelde Nr. 17/00303 - 22 - vergelijking de uitvoertransacties van bepaalde soorten van het product heeft uitgesloten?

2. Is Verordening (EG) nr. 91/2009 ongeldig ten aanzien van een importeur in de Unie wegens schending van artikel 2, lid 10, van Verordening (EG) nr. 384/96, omdat de instellingen van de Unie in het kader van de berekening van de hoogte van de dumpingmarge voor de betrokken producten bij de vergelijking van de normale waarde van producten van een Indiase producent met de uitvoerprijzen van soortgelijke Chinese producten hebben geweigerd correcties in aanmerking te nemen die verband houden met invoerheffingen op grondstoffen en indirecte belastingen in het referentieland India en met verschillen in productie(kosten), en/of omdat de instellingen van de Unie meewerkende Chinese producenten/exporteurs tijdens het onderzoek niet (tijdig) hebben voorzien van alle gegevens van de Indiase producent met betrekking tot de vaststelling van de normale waarde?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-61/16P European Bicycle Manufacturers Association (EBMA); Changshu City Standard Parts Factoryen Ningbo Jinding Fastner Co. Ltd, gevoegde zaken C-376/15P en C-377/15P; C-256/16; Baby Dan A/S, C-592/17;

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal