C-107/19 Dopravní podnik hl. m. Prahy

Prejudiciële hofzaak


Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 12 april 2019
Schriftelijke opmerkingen: 29 mei 2019

Trefwoorden : arbeidstijd; bindend juridisch advies hogere rechter in strijd met Unierecht

Onderwerp :

- Richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd;

 

Feiten:

Bij verzoekschrift van 06.11.2007 vordert verzoeker van verweerster betaling van achterstallig loon voor de periode van november 2005 tot december 2008. Verzoeker rechtvaardigt zijn vordering op basis van het feit dat hij door verweerster als brandweercommandant en later als brandweerman was tewerkgesteld, waardoor hij in de praktijk moest bijdragen aan het verzekeren van een continue dienst. Voor elke dienst betaalde de werkgever echter geen loon voor twee maaltijd -en rustpauzes van een half uur. Verzoeker stelt dat hij zelfs tijdens die pauzes binnen twee minuten beschikbaar moest zijn voor zijn werkgever in geval van een noodoproep. Hij vindt derhalve dat dit als arbeidstijd moet worden beschouwd. De verwijzende rechter stelt ook de kwestie aan de orde van de gevolgen van een mogelijk conflict tussen de beslissing van de hoogste Tsjechische rechter en het Unierecht met betrekking tot de vraag of het juridische advies dat in die beslissing in een procedure in cassatie is uitgebracht bindend is voor lagere rechters in dezelfde procedure. In casu is de verwijzende (lagere) rechter namelijk van mening dat dit juridisch advies in strijd is met het Unierecht.

 

Overweging:

De verwijzende rechter stelt dat het van essentieel belang is of in deze omstandigheden de betreffende pauzes als arbeidstijd moeten worden beschouwd. Met betrekking tot de derde vraag is de verwijzende rechter zich er van bewust dat hij geen afstand kan doen van zijn verplichtingen die voortvloeien uit het beginsel van het bindende karakter van de beslissingen van de cassatierechter, maar is hij zich ook bewust van de verplichtingen die hem worden opgelegd door artikel 36 van het Handvest.

 

Prejudiciële vragen:

1. Dient een arbeidspauze waarin een werknemer binnen twee minuten voor zijn werkgever beschikbaar moet zijn in geval van een noodoproep, als „arbeidstijd” te worden beschouwd in de zin van artikel 2 van richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd?

2. Is het voor het beantwoorden van de eerste vraag relevant dat een dergelijk onderbreking [van de arbeidspauze] wegens een noodoproep zich slechts incidenteel en onvoorspelbaar voordoet, of hoe vaak een dergelijke onderbreking zich voordoet?

3. Kan een rechter in eerste aanleg, die uitspraak doet nadat zijn beslissing is vernietigd door een hogere rechter en de zaak naar hem is terugverwezen voor het verdere verloop van de procedure, een door de hogere rechter uitgebracht juridisch advies dat voor hem bindend is naast zich neerleggen indien dat advies strijdig is met het EU-recht?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Simap/Conselleria de Sanidad y Consumo de la Generalidad Valenciana, C-308/98;, C-518/15;, C-173/09;

Specifiek beleidsterrein: SZW, JenV