C-12/20 DB Netz

Prejudiciële hofzaak   

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).  

Termijnen: Motivering departement:     5 maart 2020
Schriftelijke opmerkingen:                    20 april 2020

Trefwoorden : spoorwegnet, goederencorridor, infrastructuur,

Onderwerp :

•          Verordening (EU) nr. 913/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september           2010 inzake het Europese spoorwegnet voor concurrerend goederenvervoer

•          Richtlijn 2012/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 tot      instelling van één Europese spoorwegruimte

 

Feiten:

Als spoorwegonderneming is appellante ter uitvoering van artikel 27 van richtlijn 2012/34 verplicht om een netverklaring op te stellen en bekend te maken. Deze netverklaring moet ook informatie bevatten over de principes en criteria inzake de toewijzing van spoorwegcapaciteit. Hiertoe behoort ook informatie over de afhandeling en de termijnen van de procedure voor de toewijzing van spoorwegcapaciteit, met name met betrekking tot de procedure die toegangsgerechtigden moeten volgen voor het indienen van aanvragen voor toewijzing van spoorwegcapaciteit bij de infrastructuurbeheerder. In 2015 hadden de voor de goederencorridors bevoegde raden van bestuur overeenstemming bereikt over gemeenschappelijke kaderregelingen in de zin van artikel 14, lid 1, van verordening nr. 913/2010 en deze vervolgens vastgesteld voor de respectieve corridors waarvoor zij zijn bevoegd. Terzelfder tijd besloten de beheersraden met de medewerking van appellante, dat aanvragen om toewijzing van spoorwegcapaciteit op van tevoren geregelde internationale treinpaden uitsluitend nog via het elektronische boekingsplatform Path Coordination System (PCS) bij het respectieve loket konden worden ingediend. Op 31-08-2015 heeft appellante de Duitse federale toezichthoudende instantie in kennis gesteld van haar voornemen om een wijziging aan te brengen in haar netverklaring. In de netverklaring werd bepaald dat aanvragen van treinpaden in het geval van een technische storing van het PCS ook bij het enig loket mochten worden ingediend met behulp van een door de organisatie RailNetEurope ter beschikking gesteld aanmeldingsformulier. Met deze wijziging wilde appellante het gebruik van dit  aanmeldingsformulier als noodoplossing in het geval van een technische storing van het PCS onmogelijk maken door de daarop betrekking hebbende bepaling geheel te schrappen. Ter motivering daarvan heeft zij aangevoerd dat het gebruik van dit aanmeldingsformulier nergens staat vermeld in de bepalingen over de indiening van aanvragen die door de beheersraden van de goederencorridors zijn vastgesteld en bekendgemaakt. De toezichthoudende instantie heeft zich tegen de voorgenomen wijziging verzet, met als gevolg dat deze wijziging niet in werking kan treden. Het door appellante ingestelde bezwaar is door de toezichthoudende instantie verworpen. Ter motivering van haar besluit heeft de toezichthoudende instantie aangevoerd dat een volledige schrapping van de bestreden passage niet-nakoming oplevert van de verplichting van appellante om een niet-discriminerende toegang tot de door haar beheerde spoorweginfrastructuur te garanderen, In het geval van een technische storing van het PCS moeten de toegangsgerechtigden over een noodoplossing kunnen beschikken in de vorm van een alternatief voor het indienen van aanvragen. Appellante heeft beroep ingesteld bij de Duitse rechter in eerste aanleg welke het beroep heeft verworpen. Appellante is vervolgens in hoger beroep opgekomen tegen dit vonnis.

 

Overweging:

De verwijzende rechter betwijfelt evenwel of appellante in haar netverklaring überhaupt moet voorzien in een regeling inzake de procedure voor het indienen van aanvragen om toewijzing van spoorwegcapaciteit op een goederencorridor bij het in artikel 13, lid 1, van verordening nr. 913/2010 genoemde enig loket, en dienaangaande aan het toezicht van de Bundesnetzagentur is onderworpen. Hierover gaat de eerste prejudiciële vraag van de verwijzende rechter. De tweede vraag behoeft alleen een antwoord in het geval dat de procedure voor het indienen van aanvragen om toewijzing van spoorwegcapaciteit overeenkomstig artikel 27, leden 1 en 2, gelezen in samenhang met punt 3, onder a), van bijlage IV bij richtlijn 2012/34 en de ter uitvoering daarvan vastgestelde bepalingen van nationaal recht, ook dan moet zijn geregeld in de netverklaring van appellante wanneer deze spoorwegcapaciteit deel uitmaakt van de infrastructuurcapaciteit van een goederencorridor in de zin van verordening nr. 913/2010 en de aanvraag bij het in artikel 13, lid 1, van de verordening genoemde enig loket is ingediend. In dat geval twijfelt de verwijzende rechter onder andere of een nationale toezichthoudende instantie kan optreden zonder samen te werken met de nationale toezichthoudende instanties van de overige lidstaten die bij een goederencorridor zijn betrokken. Daarnaast betwijfelt de verwijzende rechter of de toezichthoudende instantie de netverklaringen van appellante dienaangaande ruimer mag toetsen dan alleen op hun inhoudelijke overstemming met de door de beheersraad vastgestelde regelingen. Met de vierde vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen welk belang bij de uitoefening van deze bevoegdheden moet worden toegekend aan de kaderregeling die de raad van bestuur overeenkomstig artikel 14, lid 1, van verordening nr. 913/2010 voor een goederencorridor heeft vastgesteld. De vijfde vraag sluit hierop aan en behoeft alleen een antwoord indien de definitieve uitlegging van de kaderregeling tot de bevoegdheid van het Hof behoort.

 

Prejudiciële vragen:

1) Moet verordening (EU) nr. 913/2010, met name in het licht van de taken die in artikel 13, lid 1, artikel 14, lid 9, en artikel 18, onder c), van deze verordening aan de beheersraad van een goederencorridor zijn toegewezen, aldus worden uitgelegd dat de beheersraad met betrekking tot een goederencorridor bevoegd is om zelf de procedure vast te stellen voor het indienen van aanvragen om toewijzing van infrastructuurcapaciteit bij het in artikel 13, lid 1, van de verordening genoemde enig loket, en daarbij bijvoorbeeld – zoals in de omstandigheden van het onderhavige geval – de toegangsgerechtigden verplicht om uitsluitend gebruik te maken van een elektronisch boekingsplatform, of valt deze procedure onder de algemene bepalingen van artikel 27, leden 1 en 2, gelezen in samenhang met punt 3, onder a), van bijlage IV bij richtlijn 2012/34/EU, zodat deze alleen mag worden vastgesteld in de netverklaringen van de respectieve infrastructuurbeheerders die bij een goederencorridor zijn betrokken?

2) Indien de eerste vraag aldus moet worden beantwoord dat de onder punt 1 genoemde procedure alleen in de netverklaringen van de bij een goederencorridor betrokken  infrastructuurbeheerders mag worden geregeld, dient een toezichthoudende instantie zich bij de toetsing van deze netverklaringen dienaangaande te laten leiden door artikel 20 van verordening (EU) nr. 913/2010, of eveneens uitsluitend door de bepalingen van richtlijn 2012/34/EU en door de bepalingen van nationaal recht die ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld?

a) Indien een toezichthoudende instantie zich bij deze toetsing moet laten leiden door artikel 20 van verordening (EU) nr. 913/2010, is het dan verenigbaar met de bepalingen daarvan dat een nationale toezichthoudende instantie zich verzet tegen een regeling in de netverklaring zoals genoemd onder punt 1, zonder daarbij gezamenlijk en in casu geharmoniseerd op te treden met de nationale toezichthoudende instanties van de overige lidstaten die bij de goederencorridor zijn betrokken of hen althans eerst te raadplegen met het oog op een geharmoniseerd optreden?

b) Voor zover een toezichthoudende instantie zich bij deze toetsing moet laten leiden door de bepalingen van richtlijn 2012/34/EU en door de bepalingen van nationaal recht die ter uitvoering ervan zijn vastgesteld, is het dan verenigbaar met de bepalingen daarvan, en met name met de algemene coördinatieverplichting als voorzien in artikel 57, lid 1, tweede volzin, van deze richtlijn, dat een nationale toezichthoudende instantie zich verzet tegen een regeling zoals genoemd onder punt 1, zonder daarbij gezamenlijk en in casu geharmoniseerd op te treden met de nationale toezichthoudende instanties van de overige lidstaten die bij de goederencorridor zijn betrokken of hen althans eerst te hebben geraadpleegd met het oog op een geharmoniseerd optreden?

3) Indien de eerste vraag aldus moet worden beantwoord dat de beheersraad met betrekking tot een goederencorridor bevoegd is om zelf de onder punt 1 genoemde procedure vast te stellen, komt een nationale toezichthoudende instantie dan – overeenkomstig artikel 20 van verordening (EU) nr. 913/2010 of de bepalingen van richtlijn 2012/34/EU en de bepalingen van nationaal recht die ter uitvoering ervan zijn vastgesteld – de bevoegdheid toe om de netverklaringen van een infrastructuurbeheerder ruimer te toetsen dan alleen op hun inhoudelijke overstemming met de door de beheersraad vastgestelde procedure en in voorkomend geval te betwisten wanneer deze procedure in de netverklaringen van de infrastructuurbeheerder wordt geregeld? Indien deze vraag bevestigend moet worden beantwoord, hoe moeten dan de onder punt 2, onder a) en b), opgeworpen vragen in verband met deze bevoegdheid van de toezichthoudende instantie worden beantwoord?

4) Voor zover uit de antwoorden op de vorige vragen voortvloeit dat aan de nationale toezichthoudende instantie bevoegdheden toekomen voor het toetsen van de onder punt 1 genoemde procedure, moet artikel 14, lid 1, van verordening (EU) nr. 913/2010 dan aldus worden uitgelegd dat het overeenkomstig deze bepaling door de raad van bestuur vastgestelde kader moet worden aangemerkt als een handeling ter uitvoering van het Unierecht dat bindend is voor de nationale toezichthoudende en rechterlijke instanties, waaraan het nationale recht is ondergeschikt en waarvan de definitieve uitlegging tot de bevoegdheid van het Hof behoort?

5) In geval de vierde vraag bevestigend moet worden beantwoord, staat de bepaling als neergelegd in artikel 8, lid 2, van de respectieve kaderregelingen die de raden van bestuur van alle goederencorridors hebben vastgesteld overeenkomstig artikel 14, lid 1, van verordening (EU) nr. 913/2010 en volgens welke de capaciteit van de corridor moet worden bekendgemaakt en toegewezen via een internationaal aanvraagsysteem dat voor zover mogelijk met de overige goederencorridors is geharmoniseerd, in de weg aan het besluit van een nationale  toezichthoudende instantie waarbij een bij een goederencorridor betrokken infrastructuurbeheerder verplichtingen voor diens netverklaring worden opgelegd met betrekking tot de inrichting van dit aanvraagsysteem die niet zijn gecoördineerd met de nationale toezichthoudende instanties van de overige lidstaten die bij een goederencorridor zijn betrokken?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: IenW

 

Gerelateerde documenten