C-120/19 X

Prejudiciële hofzaak


Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 8 april 2019
Schriftelijke opmerkingen: 25 mei 2019

Trefwoorden : gevaarlijke stoffen; procedurele autonomie

Onderwerp :

- VWEU artikel 34;

- Richtlijn 2008/68/EC van het Europees Parlement en de Raad van 24 september 2008 over het vervoer van gevaarlijke goederen over het land;

- Richtlijn 2012/18/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken;

 

Feiten:

X woont in de buurt van een tankstation waar sinds 1977 ook LPG wordt verkocht. De verkoop van LPG werd goedgekeurd bij besluit van 08.11.1977. Op 30.03.1998 heeft het college een vergunning voor de installatie verleend op grond van de Wet milieubeheer. Die vergunning is vervolgens een aantal keren gewijzigd. Omdat X van mening was dat de verkoop van LPG in de nabijheid van woongebieden vanuit veiligheidsoogpunt (brand- en ontploffingsgevaar) onaanvaardbaar is, heeft zij het college op 05.05.2015 verzocht de milieuvergunning voor dat tankstation in te trekken, voor zover die vergunning het tankstation toestaat om LPG te verkopen. Het college heeft dit verzoek afgewezen. Vervolgens heeft het college bij besluit van 18.01.2016 twee aanvullende voorschriften gesteld aan de wijze waarop het tankstation dient te worden bevoorraad. Deze voorschriften houden in dat de tankwagens van leveranciers die LPG aan het tankstation leveren, moeten zijn voorzien van hittewerende bekleding en van een verbeterde (veiliger) vulslang. X heeft tegen het besluit van 18.01.2016 beroep aangetekend bij de rechtbank Noord-Holland. X denkt dat de twee voorschriften niet effectief zullen zijn. X vordert dat de Afdeling de twee veiligheidsvoorschriften vernietigt, omdat deze niet kunnen worden gehandhaafd, en dat het college alsnog de vergunning van het tankstation intrekt (voor zover die ziet op de verkoop van LPG). Bij vonnis van 08.06.2017 heeft de rechtbank dit beroep ongegrond verklaard. De rechtbank oordeelde dat het betoog van X dat de vergunningvoorschriften over de hittewerende bekleding en de verbeterde vulslang in de omgevingsvergunning in strijd zijn met artikel 5(1) van de Richtlijn en/of artikel 34 van het VWEU, op zichzelf niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. X stelde hierop hoger beroep in bij de verwijzende rechter.

 

Overweging:

In de eerste prejudiciële vraag gaat het om de vraag of een vergunningsvoorwaarde die voorschrijft dat een LPG-tankstation uitsluitend door LPG-tankwagens met een hittebestendige bekleding bevoorraad mag worden, in is strijd met artikel 5(1) van richtlijn 2008/68. De tweede prejudiciële vraag heeft betrekking op de mogelijkheid van de nationale rechter die de rechtmatigheid van een dergelijke voorwaarde voor het verlenen van een vergunning aanneemt, tenzij dit duidelijk in strijd is met hoger recht. Deze vraag houdt verband met de beginselen van nationale procedurele autonomie, rechtszekerheid en doeltreffendheid van het Unierecht.

 

Prejudiciële vragen:

1A. Moet artikel 5, eerste lid, van richtlijn 2008/68/EG (PB 2008/l 260, vervoer van gevaarlijke goederen over land) aldus worden uitgelegd, dat het zich verzet tegen een vergunningvoorschrift, opgenomen in de vergunning voor het LPG-tankstation, waarbij is bepaald dat het desbetreffende individuele LPG-tankstation uitsluitend mag worden bevoorraad met LPG-tankwagens met een hittewerende bekleding terwijl deze verplichting niet rechtstreeks aan een of meer exploitanten van LPG-tankwagens wordt opgelegd?

1B. Maakt het voor de beantwoording van de eerste vraag uit dat de lidstaat een overeenkomst heeft gesloten in de vorm van de "Safety Deal hittewerende bekleding op LPG-autogastankwagens" met organisaties van marktpartijen in de LPG-branche (onder meer exploitanten van LPGtankstations, producenten, verkopers en vervoerders van LPG), waarin partijen zich hebben verbonden de hittewerende bekleding te zullen toepassen en dat in aansluiting daarop die lidstaat een circulaire als de "Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations voor besluiten met gevolgen voor de effecten van een ongeval" heeft uitgevaardigd, waarin aanvullend risicobeleid is vastgelegd dat uitgaat van de veronderstelling dat LPG-tankstations worden bevoorraad door middel van tankwagens die voorzien zijn van hittewerende bekleding?

2A. Als een nationale rechter de rechtmatigheid beoordeelt van een handhavingsbesluit dat ertoe strekt de naleving af te dwingen van een in rechte onaantastbaar geworden en met het Unierecht strijdig vergunningvoorschrift:

- laat het Unierecht, meer in het bijzonder de rechtspraak van het Hof van Justitie over de nationale procesautonomie, toe dat de nationale rechter in beginsel uitgaat van de rechtmatigheid van een dergelijk

vergunningvoorschrift, tenzij dat evident in strijd is met hoger recht, waaronder Unierecht? En zo ja, stelt het Unierecht aan deze uitzondering (aanvullende) voorwaarden?;

- of brengt het Unierecht met zich, mede gelet op de arresten van het Hof van Justitie Ciola (zaak C-224/97, ECLI:EU:C:1999:212) en Man Sugar (zaak C-274/04, ECLI:EU:C:2006:233), dat de nationale rechter een dergelijk vergunningvoorschrift buiten toepassing dient te laten wegens strijd met het Unierecht?

2B. Is bij de beantwoording van vraag 2A van belang of het handhavingsbesluit een reparatoire sanctie (remedy) dan wel een bestraffende sanctie (criminal charge) is?;

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-53/10; C-453/00; C-224/97; C-274/04; C-647/16; C-470/03 AGM-COS.MET; Commissie/Ierland C-249/81; C-67/97;

Specifiek beleidsterrein: JenV; EZK; IenW