C-133/19, C-136/19 en C-137/19 B. M. M. et B. S. e.a.

Gevoegde prejudiciële hofzaken


Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 15 april 2019
Schriftelijke opmerkingen: 1 juni 2019

Trefwoorden : gezinshereniging; rechtszekerheid; gelijke behandeling

Onderwerp :

- Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, artikel 47;

- Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging, het beginsel van gelijke behandeling, het belang van het kind en het rechtszekerheidsbeginsel;

 

Feiten:

Op 09.12.2013 hebben verzoekers bij de Belgische ambassade in Dakar een tweede aanvraag voor een visum voor gezinshereniging ingediend. Op 25.03.2014 heeft verweerder (de Belgische Staat) de aanvraag afgewezen.

- In C-133/19 werd de aanvraag afgewezen omdat het steunde op een geboorteakte waarop stond vermeld dat verzoekster op 16.03.1999 is geboren, terwijl haar vader bij zijn aanvraag om asiel in België heeft verklaard dat zij op 16.03.1997 is geboren.

- In C-136/19 werd de aanvraag afgewezen omdat het was gebaseerd op een geboorteakte waaruit bleek dat verzoekster, die op 22.12.1997 is geboren, de dochter van B. M. M. is, terwijl deze, in het kader van zijn asielaanvraag in België, nooit gewag heeft gemaakt van het bestaan van dit kind (B.M.).

- In C-137/19 werd de aanvraag afgewezen omdat het steunde op een geboorteakte waarop stond vermeld dat verzoeker op 20.01.1996 is geboren, terwijl zijn vader bij zijn aanvraag om asiel in België, heeft verklaard dat hij op 20.01.1994 is geboren.

Verzoekers stelden beroep in tegen het besluit van verweerder. Bij arrest van 31.01.2018 heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het beroep tot schorsing en nietigverklaring verworpen wegens het ontbreken van procesbelang. Tevens stelde de Raad vast dat zelfs in geval van nietigverklaring en indien hij gehouden zou zijn een nieuw besluit te nemen, de visumaanvraag niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard, aangezien verzoekers de leeftijd van achttien jaar hebben overschreden. Bij verzoekschrift van 08.03.2018 verzoeken B. M. M. en B. S., en B.M.M. en B.M., en B.M.O. om vernietiging van het arrest van de Raad voor vreemdelingenbetwistingen.

 

Overweging:

De verwijzende rechter twijfelt of artikel 4 van richtlijn 2003/86/EG aldus dient te worden uitgelegd dat het kind van een gezinshereniger aanspraak kan maken op het recht op gezinshereniging wanneer het tijdens de gerechtelijke procedure tegen het besluit waarbij dat kind dit recht wordt geweigerd - welk besluit is genomen toen het kind nog minderjarig was - meerderjarig wordt. Verder moet worden verduidelijkt of artikel 47 van het Handvest zich ertegen verzet dat een beroep tot nietigverklaring dat is ingesteld tegen de weigering om een minderjarig kind een recht op gezinshereniging toe te kennen, niet-ontvankelijk wordt verklaard omdat dit kind tijdens de gerechtelijke procedure meerderjarig is geworden. Dit zou het kind namelijk de mogelijkheid ontnemen een uitspraak te verkrijgen op zijn beroep tegen dat besluit waarmee zijn recht op een doeltreffende voorziening in rechte zou worden aangetast. De onderhavige zaak is niet vergelijkbaar met C-550/16 omdat het hier niet om gezinshereniging van een als vluchteling erkende minderjarige gaat. Verder is er in casu een bepaalde termijn vastgesteld om een besluit te nemen, zodat het recht op gezinshereniging niet afhangt “van de snelheid die [...] [de] autoriteit bij de behandeling van het verzoek [...] aan de dag legt”.

 

Prejudiciële vragen C-133/19 en C-136/19:

1. Dient artikel 4 van richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging, teneinde de doeltreffendheid van het Unierecht te waarborgen en de uitoefening van het recht op gezinshereniging, welk recht volgens verzoekster door die bepaling aan haar wordt toegekend, niet onmogelijk te maken, aldus te worden uitgelegd dat het kind van een gezinshereniger aanspraak kan maken op het recht op gezinshereniging wanneer het tijdens de gerechtelijke procedure tegen het besluit waarbij dat kind dit recht wordt geweigerd, welk besluit is genomen toen het kind nog minderjarig was, meerderjarig wordt?

2. Dienen artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 18 van richtlijn 2003/86/EG aldus te worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat een beroep tot nietigverklaring dat is ingesteld tegen de weigering om een minderjarig kind een recht op gezinshereniging toe te kennen, niet-ontvankelijk wordt verklaard omdat dit kind tijdens de gerechtelijke procedure meerderjarig is geworden, aangezien dit het kind de mogelijkheid zou ontnemen een uitspraak te verkrijgen op zijn beroep tegen dat besluit en zijn recht op een doeltreffende voorziening in rechte zou aantasten?

 

Prejudiciële vraag C-137/19:

Moet artikel 4, lid 1, onder c), van richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging, in voorkomend geval juncto artikel 16, lid 1, van dezelfde richtlijn, aldus worden uitgelegd dat van een onderdaan van een derde land wordt vereist dat hij niet alleen op het tijdstip waarop een verzoek om een verblijfsvergunning wordt ingediend, maar ook op het tijdstip waarop de administratie uiteindelijk over dat verzoek beslist, ‚minderjarig’ moet zijn?”

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-338/13; C-550/16;

Specifiek beleidsterrein: JenV-dmb;