C-135/19 Pensionsversicherungsanstalt

Prejudiciële hofzaak


Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 15 april 2019
Schriftelijke opmerkingen: 1 juni 2019

Trefwoorden : uitkeringen; sociale zekerheid

Onderwerp :

- Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels;

 

Feiten:

Verzoekster is op 28.10.1965 geboren en is een Oostenrijks staatsburger. Verzoekster heeft tot 1990 in Oostenrijk gewerkt, vervolgens is zij vanwege haar huwelijk met een Duits staatsburger naar Duitsland verhuisd. Verzoekster heeft van 1990 tot voor het laatst in 2013 in Duitsland gewerkt. Sinds haar verhuizing naar Duitsland viel zij niet meer onder de Oostenrijkse ziektekosten- of pensioenverzekering. Zij heeft in Oostenrijk geen uitkeringen ontvangen uit hoofde van de ziektekosten- of pensioenverzekering (zoals een tijdelijke invaliditeitsuitkering of ziekengeld). Verzoekster heeft op 18.06.2015 verzocht om toekenning van een invaliditeitsuitkering, subsidiair om de toezegging van maatregelen op het gebied van medische revalidatie, en om een revalidatie-uitkering uit hoofde van de ziektekostenverzekering, subsidiair om de toezegging van maatregelen op het gebied van beroepsrevalidatie. Verweerster, de Pensionsversicherungsanstalt, betwist dat verzoekster invalide is. Mocht er sprake zijn van tijdelijke invaliditeit, betwist zij dat zij verplicht is om een revalidatie-uitkering te betalen aan verzoekster, die in Duitsland woont. Volgens haar is de revalidatie-uitkering vanuit Unierechtelijk oogpunt een prestatie bij ziekte. Het exporteren daarvan zou niet tot passende oplossingen leiden. Verweerster is naar eigen zeggen niet in staat om in het buitenland maatregelen op het gebied van medische revalidatie te treffen. De rechter in eerste aanleg heeft de vordering tot toekenning van de invaliditeitsuitkering afgewezen. Hij heeft vastgesteld dat vanaf 18.07.2015 gedurende waarschijnlijk ten minste zes maanden sprake was van een tijdelijke invaliditeit en dat vanaf dat tijdstip een recht op maatregelen op het gebied van medische revalidatie bestond. Maatregelen op het gebied van beroepsrevalidatie zijn volgens de rechter niet doelmatig. Verzoekster heeft volgens hem vanaf dat tijdstip voor de verdere duur van haar tijdelijke invaliditeit recht op een revalidatie-uitkering uit hoofde van de ziektekostenverzekering in de wettelijke omvang. De rechter in tweede aanleg heeft het door verweerster ingestelde hoger beroep afgewezen. Verweerster heeft tegen deze beslissing beroep in Revision ingesteld bij de verwijzende rechter.

 

Overweging:

Overeenkomstig de door het Hof ontwikkelde criteria voor het onderscheid tussen prestaties bij ziekte en uitkeringen bij invaliditeit (C-503/09 en 69/79) wordt de revalidatie-uitkering volgens de heersende leer in Oostenrijk aangemerkt als prestatie bij ziekte. De Oostenrijkse revalidatie-uitkering verschilt wezenlijk van een pensioenuitkering of een verzorgingstoelage. Een recht op een revalidatie-uitkering bestaat pas zodra op verzoek is vastgesteld dat er sprake is van een tijdelijke invaliditeit van waarschijnlijk ten minste zes maanden en maatregelen op het gebied van beroepsrevalidatie niet doelmatig zijn. De revalidatie-uitkering is geen langdurige uitkering bij waarschijnlijke arbeidsongeschiktheid. Het gaat in dit geding om de vraag waar de Oostenrijkse revalidatie-uitkering onder valt volgens de verordening, en of het ten behoeve van verzoekster naar Duitsland moet worden geëxporteerd.

 

Prejudiciële vragen:

1. Dient de Oostenrijkse revalidatie-uitkering volgens de bepalingen van verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels te worden aangemerkt

– als prestatie bij ziekte in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), van de verordening,

– als uitkering bij invaliditeit in de zin van artikel 3, lid 1, onder c), van de verordening, of

– als uitkering bij werkloosheid in de zin van artikel 3, lid 1, onder h), van de verordening?

2. Dient verordening (EG) nr. 883/2004 tegen de achtergrond van het primaire recht aldus te worden uitgelegd dat een lidstaat als voormalige woonstaat en werkstaat verplicht is om uitkeringen als de Oostenrijkse revalidatie-uitkering te betalen aan een persoon die in een andere lidstaat woont, als deze persoon het merendeel van de tijdvakken van verzekering betreffende de takken ziekte en pensioen heeft vervuld als werknemer in die andere lidstaat (na de verplaatsing van de woonplaats naar deze lidstaat die jaren geleden heeft plaatsgevonden) en sindsdien geen uitkeringen heeft ontvangen uit hoofde van de ziektekosten- of pensioenverzekering van de voormalige woon- en werkstaat?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-503/09; 69/79; C-388/09; 375/85;

Specifiek beleidsterrein: SZW