C-149/19 R.B.

Prejudiciële hofzaak


Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 15 april 2019
Schriftelijke opmerkingen: 1 juni 2019

Trefwoorden : strafrecht; recht op informatie;

Onderwerp :

- VEU artikel 4(3);

- VWEU artikelen 82 en 83(1);

- Handvest van de grondrechten van de Europese Unie artikelen 6, 47, 48(2), 49(3) en 51;

- Richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures;

- Kaderbesluit 2004/757/JBZ van de Raad van 25 oktober 2004 betreffende de vaststelling van minimumvoorschriften met betrekking tot de bestanddelen van strafbare feiten en met betrekking tot straffen op het gebied van illegale drugshandel;

- Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt [COM/2012/0363 final – 2012/0193 (COD)]: punt 1.1, vierde alinea, van de toelichting.

 

Feiten:

Op 24.07.2017 is R.B. overeenkomstig §85(1) van het wetboek van strafvordering door agenten van de Slowaakse politie met toestemming van het openbaar ministerie aangehouden. R.B. zijn twee feiten ten laste gelegd (meerdaadse samenloop): (i) wederrechtelijke productie van verdovende middelen en psychotrope stoffen, vergif of precursoren, het onder zich hebben ervan en de handel erin wegens het bezorgen en onder zich hebben van ca. 2 kg cocaïne, 4,5 g marihuana en 3 tabletten MDMA; en (ii) wederrechtelijk bezit van en handel in wapens aangezien hij zonder vergunning een geweer van het merk Maverick, model 88, en 50 projectielen onder zich had (eendaadse samenloop). Volgens de verdediging bevatte de schriftelijke mededeling die tijdens de aanhouding aan R.B. is overhandigd niet alle in artikel 4 van richtlijn 2012/13 bedoelde informatie. Het recht op toegang tot het dossier werd niet vermeld. Ook is geen mededeling gedaan van het recht om op te komen tegen het verzuim om die informatie te verstrekken. R.B. heeft geen enkele verklaring over het feit afgelegd. Hij stelt dat de straf in het licht van het Unierecht onevenredig is. Tegelijkertijd beroept hij zich op de rechtstreekse werking van richtlijn 2012/13, die Slowakije onjuist zou hebben omgezet. Het openbaar ministerie merkt op dat volgens de nationale regeling, gelet op de samenloop van strafbare feiten, een straf moet worden opgelegd die aan de bovenkant van de wettelijke bandbreedte ligt, dat wil zeggen tot 25 jaar. In geval van een akkoord over de schuld en de straf eist het openbaar ministerie een vrijheidsstraf van 20 jaar, beslag op het vermogen en toepassing van veiligheidsmaatregelen. R.B. betwist de stelling van het openbaar ministerie. R.B. is tot nog toe niet onherroepelijk veroordeeld en hij is niet in staat van beschuldiging gesteld als lid van een criminele organisatie, een criminele of een terroristische groepering. Bij beschikking van 27.07.2017 van de met het vooronderzoek belaste rechter is de voorlopige hechtenis van R.B. gelast. Deze voorlopige hechtenis duurt nog steeds voort.

 

Overweging:

Noch de aangehouden maar nog niet in staat van beschuldiging gestelde persoon, noch zijn raadsman heeft volgens de nationale regeling recht op toegang tot het dossier. Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of het verzuim om volledige en nauwkeurige informatie in de zin van artikel 4 van richtlijn 2012/13 te geven van invloed is op de rechtmatigheid van de aanhouding en de voorlopige hechtenis. Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of de in de nationale regeling in het vooruitzicht gestelde straffen in overeenstemming zijn met §49(3) van het Handvest, dat het recht op een evenredige straf waarborgt. Hij verzoekt het Hof ook te verduidelijken of een dergelijke straftoemeting voldoet aan kaderbesluit 2004/757/JBZ van de Raad.

 

Prejudiciële vragen:

1. Is het in overeenstemming met de artikelen 4 en 8, lid 2, van richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures (hierna: „richtlijn 2012/13/EU”), met het recht op vrijheid en zekerheid als vervat in artikel 6 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), met de rechten van de verdediging als bedoeld in artikel 48, lid 2, van het Handvest alsmede met het recht op een eerlijke procedure als bedoeld in artikel 47 van het Handvest dat de nationale autoriteiten aan de aangehouden persoon tijdens de detentieperiode niet schriftelijk alle in artikel 4, lid 2, van richtlijn 2012/13/EU genoemde informatie (met name het recht op toegang tot het dossier) verstrekken (dat wil zeggen volledig) en evenmin toestaan dat dit verzuim om informatie te verstrekken wordt aangevochten overeenkomstig artikel 8, lid 2, van richtlijn 2012/13/EU? Ingeval deze vraag ontkennend wordt beantwoord: is deze schending van het Unierecht in enige fase van de strafprocedure van invloed op de rechtmatigheid van de vrijheidsontneming middels aanhouding en voorlopige hechtenis, en voorts op de rechtmatigheid van de voortzetting van de voorlopige hechtenis?

2. Is een nationaal voorschrift als artikel 172, lid 4, van het Slowaakse wetboek van strafrecht, dat illegale drugshandel strafbaar stelt, dat de rechter niet toestaat een vrijheidsstraf van minder dan 20 jaar op te leggen en dat geen mogelijkheid biedt om rekening te houden met het beginsel van individualisering van de straffen, in overeenstemming met artikel 4 van kaderbesluit 2004/757/JBZ van de Raad van 25 oktober 2004 betreffende de vaststelling van minimumvoorschriften met betrekking tot de bestanddelen van strafbare feiten en met betrekking tot straffen op het gebied van illegale drugshandel, met het beginsel van loyale samenwerking als bedoeld in artikel 4, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), met de artikelen 82 en 83 VWEU, met het recht op een eerlijk proces als vervat in artikel 47 van het Handvest, met het in artikel 49, lid 3, van het Handvest geformuleerde beginsel van evenredigheid van de straffen

alsmede met de beginselen van evenredigheid, eenheid, doeltreffendheid en voorrang van het Unierecht? Is het voor de beantwoording van deze vraag van belang dat de illegale drugshandel niet is gepleegd in het kader van een criminele organisatie in de zin van het Unierecht?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-73/16; C. C-122/15; C-206/13; K. C-475/16; C-296/08 PPU; C-388/08; C-357/09 PPU; C-61/11 PPU; C-439/16 PPU; C-105/10 PPU; C-171/16; 38 C-477/14; H.N. C-604/12; C-312/93; C-276/01; C-429/15.

Specifiek beleidsterrein: JenV