C-155/19 en C-156/19 FIGC et Consorzio Ge.Se.Av. e.a.

Gevoegde prejudiciële hofzaken


Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 19 april 2019
Schriftelijke opmerkingen: 5 juni 2019

Trefwoorden : overheidsopdrachten; publiekrechtelijke lichamen; sport

Onderwerp :

- Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG;

 

Feiten:

De feiten en de motivering in C-156/19 zijn vergelijkbaar met C-155/19 en de prejudiciële vragen zijn identiek. De Federazione Italiana Giuoco Calcio (Italiaanse voetbalbond, hierna: FIGC) had een meervoudige onderhandse aanbestedingsprocedure ingeleid voor de toewijzing van kruiersdiensten ten gunste van de nationale clubs en in het nationale magazijn in Rome, voor een periode van drie jaar. De vennootschap De Vellis Servizi Globali heeft bij de bestuursrechter in eerste aanleg beroep ingesteld en kwam op tegen de wijze waarop de aanbestedingsprocedure is gevoerd wegens schending van de regels inzake bekendmaking alsook tegen de gunning ten gunste van het Consorzio GE.SE.AV. De bestuursrechter in eerste aanleg heeft het beroep van De Vellis Servizi Globali toegewezen en de gunning ten gunste van het Consorzio GE.SE.AV. nietig verklaard. In het vonnis werd de FIGC aangemerkt als een publiekrechtelijke instelling. De FIGC en het Consorzio GE.SE.AV. hebben hiertegen afzonderlijk hoger beroep ingesteld. Zij betwisten dat het geschil onder de bevoegdheid van de bestuursrechter valt en dat de FIGC kan worden aangemerkt als een publiekrechtelijke instelling. Wat de grond van de zaak betreft, betwisten zij de toewijzing in eerste aanleg van het door De Vellis Servizi Globali ingestelde beroep. In het bijzonder betwist de FIGC dat zij onder de overheersende invloed van het C.O.N.I. (Comitato Olimpico Nazionale Italiano) valt. Voorts betwist de FIGC dat de bevoegdheden van het C.O.N.I. ten aanzien van deze laatste overeenkomen met het toezicht dat is voorzien voor publiekrechtelijke instellingen en merkt zij op dat de goedkeuring van de jaarlijkse begroting van de FIGC door het C.O.N.I. beperkt is tot de controle van het gebruik van de overheidsbijdrage, die voor de FIGC verwaarloosbaar is.

 

Overweging:

In het Italiaanse recht is de organisatie en bevordering van de nationale sport toevertrouwd aan het C.O.N.I., dat rechtspersoonlijkheid heeft naar publiek recht en onderworpen is aan het toezicht van de minister van Cultureel Erfgoed en Culturele Activiteiten. Het C.O.N.I. vormt de confederatie van de verschillende nationale sportfederaties. Het zijn privaatrechtelijke verenigingen met rechtspersoonlijkheid, die residuair onderworpen zijn aan de regels van het Italiaanse burgerlijk wetboek. De verwijzende rechter vraagt zich af of de FIGC kan worden aangemerkt als een publiekrechtelijke instelling, en dus onderworpen is aan de regels van openbare aanbestedingen voor de gunning van dienstencontracten. Volgens de verwijzende rechter staat vast dat de FIGC de vereiste van rechtspersoonlijkheid in de zin van artikel 4(1).4b) van richtlijn 2014/24 vervult, maar wordt betwist of is voldaan aan de twee andere voorwaarden voor het bestaan van een publiekrechtelijke instelling: i) de vereiste betreffende de doelstelling (is de federatie opgericht “voor het specifieke doel te voorzien in andere behoeften van algemeen belang dan die van industriële of commerciële aard”), en ii) de vereiste van “overheersende publieke invloed” (staat het beheer van de FIGC “onder toezicht” van het C.O.N.I.).

 

Prejudiciële vragen:

Eerste vraag

- Kan de Federazione calcistica italiana (Italiaanse voetbalbond) op basis van de kenmerken van de nationale regeling inzake sport worden aangemerkt als een publiekrechtelijke instelling, aangezien zij is opgericht met het specifieke doel te voorzien in behoeften van algemeen belang andere dan die van industriële of commerciële aard?

- Voldoet de Federazione, ook al is er geen formele handeling tot oprichting van een overheidsinstantie en is zij gebaseerd op lidmaatschap, met name aan de vereiste betreffende de doelstelling van de instantie, doordat zij ten gevolge van haar erkenning voor sportdoeleinden door het Comitato olimpico nazionale italiano (Italiaans nationaal olympisch comité) onderworpen is aan de regels van een sector (d.i. de sportsector) die is georganiseerd volgens publiekrechtelijk model en zij verplicht is de beginselen en regels na te leven die zijn opgesteld door deze nationale overheidsinstantie en de internationale sportorganisaties?

- Is aan deze vereiste ook voldaan in het geval van een sportfederatie als de Federazione italiana giuoco calcio (Italiaanse voetbalbond), die in staat is om zichzelf te financieren, met betrekking tot een activiteit die niet van publiekrechtelijk belang is, als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, of moet hoe dan ook voorrang worden gegeven aan de vereiste te waarborgen dat de regels inzake openbare aanbestedingen in ieder geval worden toegepast wanneer die instantie een opdracht aan derden gunt?

Tweede vraag

- Heeft het Comitato olimpico nazionale italiano een overheersende invloed op de F.I.G.C. - Federazione italiana Giuoco Calcio (Italiaanse voetbalbond), op grond van de rechtsbetrekkingen tussen beide, gelet op de wettelijke bevoegdheden inzake de erkenning van de vereniging voor sportdoeleinden, de goedkeuring van de jaarlijkse begroting, het toezicht op het beheer en de correcte werking van de organen alsook de onderbewindstelling van de instantie?

- Of volstaan die bevoegdheden daarentegen niet om te voldoen aan de vereiste van overheersende publieke invloed van de publiekrechtelijke instelling vanwege de gekwalificeerde deelneming van de voorzitters en de vertegenwoordigers van de sportfederaties aan de belangrijkste organen van het Olympisch Comité?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: BZK; EZK; VWS