C-16/19 Szpital Kliniczny im. dra J. Babińskiego Samodzielny Publiczny

C-16/19 Szpital Kliniczny im. dra J. Babińskiego Samodzielny Publiczny

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

 

Termijnen: Motivering departement: 6 maart 2019
Schriftelijke opmerkingen: 20 april 2019

Trefwoorden : Gelijke behandeling in arbeid; loonvoorwaarden

Onderwerp :

- Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep.

Feiten:

Verzoekster was in 2011 als psycholoog in dienst bij een ziekenhuis in Krakau. Op 08.12.2011 heeft verzoekster een verklaring gekregen omtrent een permanente handicap van gematigde graad (hierna: verklaring), welke zij op 21.12.2011 aan haar werkgever heeft overgelegd. Om een verplichte maandelijkse bijdrage aan een staatsfonds voor de rehabilitatie van gehandicapten te verminderen, heeft de directeur van het verwerende ziekenhuis besloten de maandelijkse toeslag uit te keren aan werknemers die ná de datum van een vergadering in 2013 de verklaring zouden overleggen. In de praktijk werd deze toeslag niet betaald aan personen, waaronder verzoekster, die de verklaring vóór de vergadering hadden verkregen en aan hun werkgever hadden overgelegd. Verzoekster vorderde o.a. betaling van de maandelijkse toeslag, welke door de rechter in eerste aanleg bij vonnis van 05.12.2015 werd afgewezen. Wat betreft de vordering tot betaling van schadeloosstelling voor discriminatie heeft de rechter overwogen dat het onderscheid tussen werknemers geen betrekking had op de loonvoorwaarden. De gebruikte maatstaf voor het onderscheid is de datum waarop de verklaring aan de werkgever is overgelegd. Er is geen onderscheid gemaakt tussen werknemers op grond van de handicap. In hoger beroep heeft verzoekster dit vonnis betwist met het betoog dat de werkgever betaling van de toeslag heeft uitgesloten voor werknemers die al eerder een dergelijke verklaring hadden overgelegd door gebruik te maken van een ongegronde en arbitraire maatstaf, wat jegens verzoekster discriminerend is geweest.

 

Overweging:

De verwijzende rechter twijfelt over de kwestie of indirecte discriminatie zich kan voordoen in een situatie waarin de werkgever een onderscheid maakt tussen werknemers binnen een groep die wordt onderscheiden door eenzelfde beschermd kenmerk, in dit geval handicap, als de werkgever een ogenschijnlijk neutrale maatstaf gebruikt die echter niet objectief kan worden gerechtvaardigd door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel niet passend en noodzakelijk zijn. De verwijzende rechter stelt dat de aangehaalde nationale rechtspraak en arresten van het Hof geen uitsluitsel bieden over deze vraag.

 

Prejudiciële vraag:

Moet artikel 2 van richtlijn 2000/78/EG van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep aldus worden opgevat dat een onderscheid tussen personen binnen een groep die wordt onderscheiden door een beschermd kenmerk (handicap) een vorm van schending van het beginsel van gelijke behandeling is, als een werkgever binnen die groep een onderscheid maakt op grond van een ogenschijnlijk neutrale maatstaf, deze maatstaf echter niet objectief kan worden gerechtvaardigd door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel niet passend en noodzakelijk zijn?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-13/05; HK Danmark, C-335/11 en C-337/11; C-270/16

Specifiek beleidsterrein: SZW

​​​​​​​