C-182/19 Pfizer Consumer Healthcare

Prejudiciële hofzaak


Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 17 april 2019

Schriftelijke opmerkingen: 3 juni 2019

Trefwoorden : gecombineerde nomenclatuur; douane

Onderwerp :

- Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1140 van de Commissie van 8 juli 2016 tot indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur;

- Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1821 van de Commissie van 6 oktober 2016 tot wijziging van bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief;

- Richtlijn 93/42/EEG van de Raad van 14 juni 1993 betreffende medische hulpmiddelen;

 

Feiten:

Pfizer heeft ThermaCare-producten ingevoerd in het Verenigd Koninkrijk ingevoerde. Dit zijn medische wegwerphulpmiddelen voor eenmalig gebruik, voor het toepassen van warmtetherapie. De producten zijn op grond van richtlijn 93/42/EEG ingedeeld als “actief medisch hulpmiddel”. De douaneautoriteiten in de lidstaten verstrekken bindende tariefinlichtingen (BTI’s) aan ondernemingen die verduidelijking wensen over de eventuele douanerechten bij de invoer van goederen. In 2012 heeft de belasting- en douanedienst van het Verenigd Koninkrijk (hierna: HMRC) twee BTI’s verstrekt op grond waarvan een aantal ThermaCare-producten onder GN-post 3005 werden ingedeeld (nulrecht). De autoriteiten in Duitsland en Slowakije hadden in 2002, 2009, 2010 en 2012 voor vergelijkbare producten soortgelijke BTI’s verstrekt. In 2015 hebben de Franse autoriteiten een ander standpunt ingenomen en geëist dat de indeling van de ThermaCare-producten zou worden onderzocht door de Commissie. Vervolgens besloot een meerderheid van het betreffende Comité om de goederen in kwestie in te delen onder post 3824 omdat het wezenlijk karakter van producten als de ThermaCare-producten is ontleend aan de warmtecellen. Op grond van dit meerderheidsbesluit is de bestreden verordening 2016/1140 op 14 juli 2016 bekendgemaakt in het Publicatieblad en worden producten als de ThermaCare-producten ingedeeld onder GN-postonderverdeling 3824 90 96 en dus onderworpen aan het overeenkomstige invoerrecht. De in 2012 aan Pfizer verstrekte BTI’s werden vervolgens door HMRC ingetrokken en op 10.11.2017 is een nieuwe BTI gepubliceerd, waarin wordt verwezen naar verordening 2016/1140 en waarin de producten zijn ingedeeld onder GN-post 3824.

 

Overweging:

Pfizer voert aan dat de ThermaCare-producten dienen te worden ingedeeld onder GN-post 3005. Op basis van algemene regel 3a) voert Pfizer aan dat het de voorkeur verdient om de post met de “meest specifieke omschrijving” van het product te gebruiken (in dit geval dus 3005). Zij meent dat algemene regel 3b) (wezenlijk karakter) enkel van toepassing is wanneer producten niet met algemene regel 3a) kunnen worden ingedeeld. De First-tier Tribunal (belastingrechter in eerste aanleg) stelt dat de door Pfizer aangevoerde middelen de geldigheid van de bestreden verordening in twijfel kunnen trekken. Om deze reden dient hij bij het Hof een verzoek om een prejudiciële beslissing in.

 

Prejudiciële vraag:

Is uitvoeringsverordening (EU) 2016/1140 van de Commissie van 8 juli 2016 tot indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur ongeldig voor zover zij producten die:

 

  1. bestaan uit een verbandachtig materiaal, dat „warmtecellen” met daarin chemicaliën bevat,
  2. op een vergelijkbare manier werkzaam zijn als een mosterdpleister, maar extra voordelen bieden,
  3. door middel van een exotherme chemische reactie pijn verlichten, stijfheid verminderen en weefselherstel bevorderen (zoals bevestigd in meerdere klinische testen),
  4. zijn opgemaakt voor de verkoop in het klein, en
  5. uitdrukkelijk worden aanbevolen en verkocht voor geneeskundige doeleinden en met de belofte dat zij de hiervoor in (3) genoemde effecten bewerkstelligen,

 

op basis van de chemicaliën die de stoffen of bestanddelen zijn waaraan die producten hun wezenlijk karakter ontlenen, indeelt onder GN-code 3824, en meer specifiek 3824 90 96, en niet onder GN-code 3005 (op basis van de bewoordingen van de toepasselijke posten, aantekeningen op de afdelingen of hoofdstukken, en toelichtingen overeenkomstig algemene regel 1 voor de interpretatie, op basis van de werking van algemene regel 3, onder a), voor de interpretatie, die bepaalt dat volgens de meest specifieke omschrijving moet worden ingedeeld, of anderszins)?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: MIS C-288/15; Customs Support Holland C-144/15; Kawasaki Motors Europe C-15/05; Kawasaki Motors Europe C-91/15.

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal; VWS