C-184/19 Hecta Viticol

Prejudiciële hofzaak


Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 19 april 2019
Schriftelijke opmerkingen: 5 juni 2019

Trefwoorden : accijns op alcohol; belastingen

Onderwerp :

- Richtlijn 92/83/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 betreffende de harmonisatie van de structuur van de accijns op alcohol en alcoholhoudende dranken;

- Richtlijn 92/84/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 betreffende de onderlinge aanpassing van de accijnstarieven op alcohol en alcoholhoudende dranken;

 

Feiten:

Bij belastinginspectierapport van 29.04.2011 is vastgesteld dat de vennootschap Principal Company SA van 01.04.2010 tot en met 31.12.10 de niet-mousserende gegiste drank van het merk “CETERA” heeft verhandeld. Hierbij heeft zij gebruik gemaakt van een belastingentrepot en een accijns van nul EUR/hl product toegepast. Volgens de belastinginspectieautoriteiten had zij vanaf de datum van inwerkingtreding van een nationale regeling die een accijns instelt op andere gegiste dranken dan bier en wijn, te weten vanaf 01.07.2010, een accijns moeten toepassen. Bijgevolg werd op 03.05.2011 een aanslag opgelegd waarbij het bedrijf werd verplicht tot betaling van accijnzen op andere niet-mousserende gegiste dranken dan bier en wijn. Het hiertegen gemaakte bezwaar werd ongegrond verklaard, waarbij werd vastgesteld dat de aanslag wettig en gegrond is en bovendien werd overwogen dat het grondwettelijk hof van Roemenië in een andere zaak heeft geoordeeld dat de nationale regeling grondwettig is. Op 14.06.2013 is het bedrijf gefuseerd met verzoekster, Hecta Viticol. Verzoekster heeft tegen het besluit en het inspectierapport bestuursrechtelijk beroep ingesteld, strekkende tot nietigverklaring. Zij voert aan dat de vaststelling van de nationale regeling in strijd is met de richtlijnen, omdat de regeling een onderscheid maakt voor bier en wijn enerzijds, en andere gegiste dranken anderzijds. Daarnaast zou de nationale regeling op een onjuiste manier zijn ingevoerd, en daardoor in strijd met algemene beginselen.

 

Overweging:

De verwijzende rechter acht de vragen, anders dan verweersters, ontvankelijk. Verder is de verwijzende rechter van mening dat de nationale regeling de beginselen van rechtszekerheid en bescherming van het gewettigd vertrouwen schendt.

 

Prejudiciële vragen:

1. Verzetten de artikelen 7, 11 en 15 van richtlijn 92/83/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 betreffende de harmonisatie van de structuur van de accijns op alcohol en alcoholhoudende dranken en artikel 5 van richtlijn 92/84/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 betreffende de onderlinge aanpassing van de accijnstarieven op alcohol en alcoholhoudende dranken zich tegen de bepalingen

van artikel I, punt 21, en artikel IV, eerste alinea, van Ordonanța de urgență nr. 54

din 23 iunie 2010 privind unele măsuri pentru combaterea evaziunii fiscale (noodverordening nr. 54 van 23 juni 2010 houdende maatregelen ter bestrijding van belastingontduiking)?

2. Verzetten de beginselen van rechtszekerheid en bescherming van het gewettigd vertrouwen zich tegen de regeling van artikel I, punt 21, en artikel IV, eerste alinea, van Ordonanța de urgență nr. 54 din 23 iunie 2010 privind unele măsuri pentru combaterea evaziunii fiscale, voor zover daarbij het accijnstarief voor andere niet-mousserende gegiste dranken dan bier en wijn is gewijzigd?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: /

Specifiek beleidsterrein: FIN-fisc