C-186/19 Supreme Site Services e.a.

Prejudiciële hofzaak


Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 16 april 2019
Schriftelijke opmerkingen: 2 juni 2019

Trefwoorden : bevoegdheid; voorlopige voorziening; burgerlijke en handelszaken

Onderwerp :

- Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking) (hierna: Verordening Brussel I-bis);

 

Feiten:

SHAPE is een internationale organisatie, opgericht bij het Protocol van 28.08.1952 (hierna: Paris Protocol) betreffende de rechtspositie van internationale militaire hoofdkwartieren, ingesteld uit hoofde van het NAVO-verdrag. Een regionaal hoofdkwartier (JFCB) werd opgericht in Brunssum. Verzoekers - de Duitse, Zwitserse en VAE vestigingen van Supreme – worden hierna gezamenlijk Supreme genoemd. Supreme heeft op grond van zogenoemde Basic Ordering Agreements (hierna: BOAs) onder meer brandstoffen geleverd aan SHAPE ten behoeve van de ISAF-missie van de NAVO in Afghanistan. Op basis van de zogenaamde escrow-overeenkomst, is een escrow-rekening ingesteld voor de afhandeling van betalingen aan Supreme. Nadat financiële audits waren uitgevoerd, moest Supreme onder meer 122 miljoen USD op die rekening terugbetalen. De groep van ondernemingen waartoe Supreme behoort, wordt verdacht van omvangrijke fraude met betrekking tot de levering van brandstoffen en de berekening van de kosten in het kader van de ISAF-missie van de NAVO in Afghanistan. Eind 2015 heeft Supreme SHAPE en JFCB gedagvaard voor de rechtbank Limburg (bodemprocedure). Supreme vordert betaling van verschillende bedragen en dat SHAPE en JFCB ervoor zorgen dat deze uit de escrow-rekening worden betaald. SHAPE en JFCB voeren aan dat de rechtbank onbevoegd is en beroepen zich hierbij op immuniteit van jurisdictie. Bij vonnis van 08.02.2017 heeft de rechtbank echter geoordeeld dat zij wel bevoegd was, waarna SHAPE hoger beroep heeft aangetekend. Bij beschikking van 14.04.2016 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Limburg aan Supreme verlof verleend tot het leggen van conservatoir derdenbeslag op het tegoed op de escrow-rekening (beslagverlof). Het conservatoir derdenbeslag is op 18.04.2016 gelegd. De onderhavige procedure is een kort geding waarin SHAPE (i) opheffing van het genoemde conservatoir derdenbeslag, en (ii) een verbod aan Supreme om opnieuw conservatoir beslag te leggen op het tegoed op de escrow-rekening vordert. De voorzieningenrechter heeft deze vorderingen van SHAPE toegewezen. Het Gerechtshof `s Hertogenbosch heeft het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd. Supreme heeft hierop cassatieberoep ingesteld. Ondertussen is het door Supreme in België gelegde conservatoir derdenbeslag opgeheven, nadat de Belgische rechter verlof tot tenuitvoerlegging had verleend van de uitspraken van de voorzieningenrechter en het Gerechtshof. Supreme blijft belang hebben bij haar cassatieberoep voor zover dit betrekking heeft op het verbod om opnieuw beslag te leggen en op haar veroordeling in de kosten van het hoger beroep.

 

Overweging:

In dit geding dient te worden onderzocht of artikel 24 van de Verordening Brussel I-bis mede betrekking heeft op de vordering van SHAPE tot opheffing van het conservatoir derdenbeslag, in die zin dat die vordering ziet op 'de tenuitvoerlegging van beslissingen', waarvoor de gerechten van de lidstaat van de plaats van tenuitvoerlegging bij uitsluiting bevoegd zijn. Zo ja, dan zijn de Belgische gerechten bij uitsluiting bevoegd om kennis te nemen van SHAPE's vordering tot opheffing, omdat Supreme het conservatoir derdenbeslag onder BNP Paribas in Brussel heeft gelegd. Over de uitleg van artikel 24, aanhef en onder 5, Verordening Brussel I-bis kan redelijkerwijs twijfel bestaan, zodat de Hoge Raad hierover prejudiciële vragen aan het Hof stelt.

 

Prejudiciële vragen:

1(a). Moet Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking) (PbEU 2012, L 351/1; hierna: Verordening Brussel I-bis) aldus worden uitgelegd dat een zaak als de onderhavige, waarin een internationale organisatie vordert (i) opheffing van een door de wederpartij in een andere lidstaat gelegd conservatoir derdenbeslag, en (ii) een verbod aan de wederpartij om opnieuw, op dezelfde feitelijke gronden, conservatoir beslag te leggen, en aan die vorderingen immuniteit van executie ten grondslag is gelegd, geheel of gedeeltelijk moet worden aangemerkt als een burgerlijke of handelszaak als bedoeld in art. 1 lid 1 Verordening Brussel I-bis?

1(b). Komt bij de beantwoording van vraag 1 (a) betekenis toe, en zo ja welke, aan de omstandigheid dat de rechter van een lidstaat het beslagverlof heeft verleend voor een vordering die de wederpartij pretendeert te hebben op de internationale organisatie, over welke vordering in die lidstaat een bodemprocedure aanhangig is die betrekking heeft op een contractueel geschil over de betaling van brandstoffen die zijn geleverd ten behoeve van een vredesoperatie die wordt uitgevoerd door een met de internationale organisatie verbonden internationale organisatie?

2(a). Indien het antwoord op vraag 1(a) bevestigend luidt, moet art. 24, aanhef en onder 5, Verordening Brussel I-bis aldus worden uitgelegd dat, in een geval waarin de rechter van een lidstaat verlof heeft verleend tot het leggen van conservatoir derdenbeslag en dit beslag vervolgens in een andere lidstaat is gelegd, de gerechten van de lidstaat waar het conservatoir derdenbeslag is gelegd, bij uitsluiting bevoegd zijn om kennis te nemen van een vordering tot opheffing van dat beslag?

2(b). Komt bij de beantwoording van vraag 2(a) betekenis toe, en zo ja welke, aan de omstandigheid dat de internationale organisatie aan haar vordering tot opheffing van het conservatoir derdenbeslag immuniteit van executie ten grondslag heeft gelegd?

3. Indien bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een burgerlijke of handelszaak als bedoeld in art. 1 lid 1 Verordening Brussel I-bis, respectievelijk de vraag of sprake is van een vordering die valt onder het bereik van art. 24, aanhef en onder 5, Verordening Brussel I-bis, betekenis toekomt aan de omstandigheid dat de internationale organisatie aan haar vorderingen immuniteit van executie ten grondslag heeft gelegd, in hoeverre is de aangezochte rechter gehouden om te beoordelen of het beroep op immuniteit van executie doel treft, en geldt daarbij de regel dat hij alle hem ter beschikking staande gegevens in aanmerking moet nemen, daaronder begrepen, in voorkomend geval, de betwistingen van de verweerder, dan wel een andere regel?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: /

Specifiek beleidsterrein: JenV; BZK