C-194/19 État belge

Prejudiciële hofzaak


Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 17 april 2019
Schriftelijke opmerkingen: 3 juni 2019

Trefwoorden : asiel; dublin III verordening;

Onderwerp :

- Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: Dublin IIIverordening);

- Handvest van de grondrechten van de Europese Unie artikelen 18, 41, 47, 52.

 

Feiten:

Op 22.05.2017 komt verzoeker (Palestijns) aan in België. De dag erna dient hij een asielverzoek in. Op 31.05.2017 wordt hij door verweerder (Belgische Staat, minister van Asiel en migratie) gehoord en vervolgens dient België op 22.06.2017 bij de Spaanse autoriteiten een verzoek tot overname van verzoeker in. Op 04.07.2017 aanvaarden de Spaanse autoriteiten dit overnameverzoek. Op 01.08.2017 neemt verweerder jegens verzoeker een beslissing tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten. Op 25.08.2017 stelt verzoeker bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen beroep tot nietigverklaring in, vergezeld van een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 01.08.2017. In zijn cassatieberoep preciseert verzoeker dat zijn broer op 22.08.2017 in België is aangekomen en dat diens asielverzoek thans wordt behandeld door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen. Hij voert aan dat het wegens de gemeenschappelijke aspecten van zijn asielverzoek en dat van zijn broer noodzakelijk is dat hun relazen gezamenlijk worden onderzocht. Bij arrest van 30.11.2017 wijst de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het beroep tot nietigverklaring af. Tegen deze beslissing is cassatieberoep ingesteld. De bestuursrechter wijst erop dat de aankomst van verzoekers broer in België en diens hangende asielverzoek elementen zijn die dateren van na de aan hem voorgelegde administratieve beslissing en die geen gevolgen kunnen hebben voor de rechtmatigheid daarvan. Verzoeker voert aan dat de nieuwe elementen die hij heeft overgelegd aan de bestuursrechter, doorslaggevend zijn voor een eerlijke beoordeling van zijn asielverzoek en de uitvoering van de “Dublin-overdracht” moeten verhinderen.

 

Overweging:

De bestuursrechter heeft zich niet uitgesproken over de mogelijke gevolgen van de nieuwe elementen voor het besluit om de behandeling van verzoekers asielverzoek te verwijzen naar de Spaanse autoriteiten. Als cassatierechter heeft de verwijzende rechter niet tot taak om te beoordelen welke gevolgen de nieuwe elementen zouden kunnen hebben voor het bepalen van de staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek. Om te beoordelen of het door de Europese regelgeving gewaarborgde recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel wordt geëerbiedigd, dient het Hof te worden gevraagd wat de draagwijdte is van het beginsel van een daadwerkelijk rechtsmiddel zoals dat is neergelegd in artikel 27 van de Dublin III-verordening, afzonderlijk gelezen of in samenhang met artikel 47 van het Handvest. Anders dan verweerder betoogt, kan verzoeker niet worden verweten dat hij de bestuursrechter niet heeft verzocht om die vraag te stellen, aangezien zij betrekking heeft op de omvang van de toetsing door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en niets van doen heeft met de bestuurshandeling die hem is voorgelegd.

 

Prejudiciële vraag:

Moet artikel 27 van verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (herziening), zowel afzonderlijk als in samenhang met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aldus worden

uitgelegd dat het de nationale rechter de verplichting oplegt om, teneinde het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel te waarborgen, in voorkomend geval rekening te houden met elementen die dateren van na het besluit tot ,Dublin-overdracht’?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C. K. e.a. tegen de Republiek Slovenië C-578/16 PPU;

Specifiek beleidsterrein: JenV-dmb