C-2/20 Daimler

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     4 maart 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     19 april 2020

Trefwoorden : internationale zeevervoerdiensten, mededinging, schade

Onderwerp :

•          Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag

•          Verordening (EG) nr. 1419/2006 van de Raad van 25 september 2006 houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 4056/86 tot vaststelling van de wijze van toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag op het zeevervoer en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1/2003 inzake de uitbreiding van het toepassingsgebied van deze verordening tot cabotage en internationale wilde vaart

 

Feiten:

Daimler heeft een vordering bij de verwijzende rechter ingesteld welke is gesteund op een grief dat een aantal ondernemingen tussen 1997 en 17-10-2006 inbreuk hebben gemaakt op artikel 101, lid 1, VWEU (voorheen artikel 85, lid 1, EEG/artikel 81, lid 1, EG) en artikel 53 van de EER-Overeenkomst, door deel te nemen aan één enkele en voortdurende inbreuk, namelijk prijsafspraken en toewijzing van klanten met betrekking tot het voorzien van internationaal roll-on, roll-off diepzeevervoer van auto’s op wereldwijde routes, waaronder routes tussen niet- EEG/niet-EG/niet-EER-havens. Daimler stelt zij een centrale aanbestedingsprocedure voor zeevervoerdiensten organiseerde en kaderovereenkomsten sloot op grond waarvan deze diensten werden verleend. Het onrechtmatige gedrag werd uitgevoerd door indiening van niet-concurrerende offertes en/of niet-indiening van concurrerende offertes in het kader van die procedure waardoor Daimler schade heeft geleden.

 

Overweging:

De eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 EEG die door de Raad overeenkomstig artikel 87 EEG werd vastgesteld, was verordening nr. 17. Bij verordening nr. 1/2003 zijn verordening nr. 17 en verordening nr. 1417 ingetrokken en vervangen door een nieuwe regeling voor de handhaving van de artikelen 101 en 102 VWEU. Volgens artikel 32 van verordening 1/2003 was de verordening niet van toepassing op internationale wilde vaart, zeevervoer dat uitsluitend tussen de havens van eenzelfde lidstaat plaatsvindt en luchtvervoer tussen luchthavens van de Gemeenschap en derde landen. Andere zeevervoerdiensten, waaronder internationale zeevervoerdiensten tussen havens buiten de Gemeenschap die geen wilde vaart zijn waren niet uitdrukkelijk uitgesloten. Met ingang van 18-10-2006 heeft verordening nr. 1419/2006, verordening nr. 4056/869 en artikel 32 van verordening nr. 1/2003 ingetrokken. Het is voor de verwijzende rechter niet duidelijk of verordening nr. 1/2003, zoals vastgesteld, voorzag in uitvoeringsbepalingen voor internationale zeevervoerdiensten tussen havens buiten de Gemeenschap, dan wel of deze diensten aan de overgangsbepalingen onderworpen zijn gebleven totdat artikel 32 van verordening nr. 1/2003 en artikel 1 van verordening nr.4056/86 bij verordening nr. 1419/2006 werden ingetrokken. Verder is het evenmin duidelijk of de nationale rechter bevoegd is om artikel 85 EEG toe te passen op gedragingen die plaatsvonden tijdens de periode waarop de overgangsbepalingen van toepassing waren. De verwijzende rechter beslist een verzoek om een prejudiciële beslissing in te dienen over de vraag die de rechtbank Amsterdam in de zaak Stichting heeft gesteld, namelijk of de nationale rechter artikel 101 VWEU (en de voorgangers ervan) of artikel 53 EER kan toepassen op overeenkomsten met betrekking tot perioden waarin de overgangsregeling van toepassing was. In het onderhavige geding rijst een bijkomende vraag die niet in de zaak Stichting aan de orde is gekomen, namelijk of verordening nr. 1/2003, zoals vastgesteld, tot gevolg had dat er uitvoeringsbepalingen voor internationale zeevervoerdiensten tussen havens buiten de Gemeenschap werden vastgesteld, dan wel of deze diensten onder de overgangsregeling bleven vallen.

 

Prejudiciële vragen:

1) Is de nationale rechter bevoegd uitspraak te doen over een vordering tot schadevergoeding op grond van artikel 85 EEG/artikel 81 EG wanneer de aangeklaagde gedraging betrekking had op het verrichten van internationale zeevervoerdiensten uitsluitend tussen niet-EEG/EG-havens in de periode vóór 1 mei 2004 en de nationale rechter voor de toepassing van artikel 88 EEG/artikel 84 EG geen bevoegde autoriteit in een lidstaat was?

2) Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, is een nationale rechter bevoegd om uitspraak te doen over een dergelijke vordering met betrekking tot het verrichten van internationale zeevervoerdiensten uitsluitend tussen niet-EEG/EG-havens in de periode van 1 mei 2004 tot en met 18 oktober 2006?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Belgische Radio en Televisie tegen SV SABAM (c-127/73), (C-209/84 – C-213/84), (C-66/86),

Specifiek beleidsterrein: EZK, IenW