C-21/19, C-22/19 en C-23/19 XN e.a.

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

 

Termijnen: Motivering departement: 7 maart 2019
Schriftelijke opmerkingen: 21 april 2019

Trefwoorden : afvalstoffen; dierlijke bijproducten;

Onderwerp :

- Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees parlement en de Raad van 14 juni 20016 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (hierna: EVOA).

- Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002 (hierna: verordening dierlijke bijproducten)

- Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (hierna: de Kaderrichtlijn afvalstoffen);

 

Feiten:

De feiten, motivering van de beschikking en de prejudiciële vragen in de zaken C-22/19 en C-23/19 zijn in wezen identiek aan zaak C-21/19. Het geding betreft de illegale overbrenging van afvalstoffen van Nederland naar Duitsland zonder kennisgeving aan en/of toestemming van de bevoegde autoriteiten overeenkomstig de EVOA. Het gaat hier o.a. om de volgende mengsels: pekel en dierlijk weefsel, een mengsel van dierlijk afvalvet en pekel, een mengsel van zuiveringsslib en ander (onbekend) afval, een mengsel van zuiveringsslib en (zuivel)afval en een mengsel van slib van afvalwaterbehandeling en eiwitten concentraat. De verwijzende rechter ziet zich in deze zaak voor de vraag gesteld of de overbrengingen van deze mengsels onder het bereik vallen van de EVOA of dat deze verordening niet van toepassing is omdat de overbrengingen van de mengsels vallen onder de werking van de verordening dierlijke bijproducten. Volgens het OM is de EVOA van toepassing, omdat de in de tenlastelegging bedoelde mengsels telkens als afvalstoffen moeten worden aangemerkt. De verdediging stelt dat de Verordening dierlijke bijproducten in deze zaak van toepassing is en niet de EVOA, omdat de in de tenlastelegging vermelde mengsels dierlijke bijproducten zijn. De rechtbank heeft de verdachte van de tenlastegelegde feiten vrijgesproken. Het openbaar ministerie is tegen de vrijspraken in hoger beroep gekomen. Het blijft bij zijn eerder ingenomen standpunt volgens hetwelk mengsels als in deze zaak aan de orde geen dierlijke bijproducten zijn.

 

Overweging:

Allereerst ziet de verwijzende rechter zich gesteld voor de vraag hoe het in artikel 5 van de Kaderrichtlijn afvalstoffen genoemde begrip "bijproducten" zich verhoudt tot het in de Verordening dierlijke bijproducten genoemde begrip "dierlijke bijproducten". Verder rijst de vraag hoe de overbrenging die valt onder de erkenningseisen van Verordening dierlijke bijproducten in de zin van artikel 1(3) van de EVOA dient te worden begrepen: is daarmee bedoeld het vervoer (tussen een land en een ander land) van dierlijke bijproducten, ongeacht van welke categorie dat materiaal is? In vervolg op de vorige vragen ziet de verwijzende rechter zich gesteld voor de vraag of artikel 1(3) van de EVOA, zo moet worden gelezen dat daarmee ook overbrengingen van mengsels van dierlijke bijproducten en andere stoffen worden bedoeld, en - zo ja - of de mengverhouding tussen de dierlijke bijproducten en de andere stoffen een relevant punt is. De afvalstoffenregelgeving is bijzonder gecompliceerd, de verwijzende rechter gaat daarom over op het stellen van de prejudiciële vragen.

 

Prejudiciële vragen:

1. Is een stof die geen bijproduct is in de zin van de Kaderrichtlijn afvalstoffen per definitie ook geen dierlijk bijproduct in de zin van de Verordening dierlijke bijproducten 2009, zodat deze stof niet op grond van artikel 1, derde lid, van de EVOA van de werking van de EVOA is uitgesloten? Of is het niet uitgesloten dat een stof valt onder de definitie van dierlijke bijproducten in de zin van de Verordening dierlijke bijproducten 2009 als die stof niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 5, eerste lid, van de Kaderrichtlijn afvalstoffen, zodat deze stof niet zonder meer onder de EVOA valt?

2. Hoe dient de overbrenging die valt onder de erkenningseisen van Verordening (EG) nr. 1774/2002 - nu: Verordening (EG) nr. 1069/2009 – in de zin van artikel 1, derde lid, van de EVOA te worden begrepen: is daarmee bedoeld het vervoer (tussen een land en een ander land) van dierlijke bijproducten, ongeacht van welke categorie dat materiaal is? Of is daarmee bedoeld het vervoer van in artikel 48 van de Verordening dierlijke bijproducten 2009 (voorheen artikel 8 van de Verordening 1774/2002) bedoeld materiaal, dat is beperkt tot dierlijke bijproducten of afgeleide producten in de zin van die bepaling, dus materiaal van categorie 1 en materiaal van categorie 2, en bepaalde daarvan afgeleide producten, inclusief verwerkte dierlijke eiwitten afgeleid van categorie 3-materiaal?

3. Als met de overbrenging die valt onder de erkenningseisen van Verordening (EG) nr. 1774/2002 - nu Verordening (EG) nr. 1069/2009 - in de zin van artikel 1, derde lid, aanhef en onder d, van de EVOA moet worden begrepen het vervoer (tussen een land en een ander land) van dierlijke bijproducten, ongeacht van welke categorie dat materiaal is, dient dan artikel 1, derde lid, aanhef en onder d, van de EVOA, verder zo te worden gelezen dat daarmee ook overbrengingen van mengsels van dierlijke bijproducten en andere stoffen worden bedoeld en - zo ja - is de mengverhouding tussen de dierlijke bijproducten en de andere stoffen hierbij relevant? Of verliest een dierlijk bijproduct het karakter van dierlijk bijproduct in de zin van de Verordening dierlijke bijproducten 2009 en wordt dit dierlijke bijproduct een afvalstof in de zin van de EVOA als gevolg van het mengen hiervan met een andere stof?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: IenW; JenV

​​​​​​​