C-211/19 Készenléti Rendőrség

C-211/19 Készenléti Rendőrség

Prejudiciële hofzaak


Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).


Termijnen: Motivering departement: 22 mei 2019
Schriftelijke opmerkingen: 8 juli 2019

Trefwoorden: arbeidstijd; interventiepolitie; grensbewaking

Onderwerp:

- Richtlijn 89/391 van de Raad van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk;

- Richtlijn 2003/88 van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd;

 

Feiten:

Verzoeker is sinds 2011 als politieambtenaar in vaste dienst getreden bij de interventiepolitie. Vanaf 2015 was hij in de functie van surveillerende politieagent ingedeeld bij de grensbewakingseenheid. De interventiepolitie is een zelfstandige eenheid van de algemene Hongaarse politie en valt direct onder de nationale politie. Zij beschikt over een zelfstandig takenpakket en zelfstandige nationale bevoegdheden, waaronder deelname aan de uitvoering van niet vooraf te plannen taken die onmiddellijk optreden van een patrouille vereisen. Verzoeker heeft van juli 2015 tot april 2017 in verband met de migratiesituatie als lid van een patrouille in staat van paraatheid grensbewakingstaken uitgevoerd overeenkomstig de ambtsinstructie van de nationale politie. Gedurende deze periode was hij gestationeerd langs de zuidelijke grens van Hongarije. Verzoeker is door zijn werkgever opgedragen om gedurende deze periode boven zijn reguliere arbeidstijd overwerk te verrichten in de vorm van paraatheidsdiensten en wachtdienst, telkens als lid van een patrouille. De werkgever heeft de tijd die werd doorgebracht in wachtdienst als rusttijd aangemerkt. Gedurende de wachtdienst diende verzoeker geüniformeerd, met zijn uitrusting en bewapening binnen handbereik, te wachten en te rusten. Dit betekende dat hij in een situatie van verhoogde staat van paraatheid binnen 15 minuten, en in een situatie van algemene paraatheid binnen een uur gereed moest staan voor vertrek. Gedurende de wachtdienst was verzoeker dus beperkt in zijn bewegingsvrijheid en mocht hij de door de werkgever voor de rusttijd aangewezen dienstpost niet verlaten. Hij kon in zijn dagelijkse behoeften uitsluitend voorzien via een daartoe met voorafgaande toestemming aangewezen persoon die zorg droeg voor de behoeften van de hele groep. Verweerder heeft de periode van wacht niet als arbeidstijd aangemerkt. Verzoeker stelt dat hij gedurende de periode van wacht in feite paraatheidsdienst verrichtte en dat hij daarom recht heeft op overwerkvergoeding, in plaats van wachttoeslag, en hij vindt dat de gehele periode van paraatheidsdienst als arbeidstijd moet worden aangemerkt.

 

Overweging:

De nationale wet bevat geen definitie van de begrippen “arbeidstijd” en “rusttijd”. Verzoeker baseert zijn vordering op richtlijn 2003/88. De verwijzende rechter betwijfelt echter sterk of die richtlijn van toepassing is op verzoeker, aangezien hij in het onderhavige geval zijn taken verrichte onder omstandigheden die verschilden van zijn normale werkomstandigheden. De verwijzende rechter verzoekt het Hof daarom om verduidelijking van de personele werkingssfeer van deze richtlijn. Daarnaast wenst hij te vernemen of de werkzaamheden van een ambtenaar van de politie in vaste dienst van de Hongaarse interventiepolitie bijzondere aspecten omvatten, die inherent zijn aan bepaalde activiteiten in overheidsdienst die de toepassing van richtlijn 89/391 in de weg zou staan.

 

Prejudiciële vragen:

1. Moet artikel 1, lid 3, van richtlijn [2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd] aldus worden uitgelegd dat de personele werkingssfeer van deze richtlijn wordt bepaald door artikel 2 van richtlijn [89/391/EEG van de Raad van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk]?

2. Zo ja, moet artikel 2, lid 2, van richtlijn [89/391] aldus worden uitgelegd dat artikel 2, punten 1 en 2, van richtlijn [2003/88] niet van toepassing is op politieambtenaren in vaste dienst van de interventiepolitie?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: /

Specifiek beleidsterrein: SZW; BZK; JenV