C-222/19 en C-252/19 BW e.a.

C-222/19 en C-252/19 BW e.a.

Prejudiciele hofzaak


Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 10 juni 2019
Schriftelijke opmerkingen: 27 juli 2019

Trefwoorden : oneerlijke bedingen; consumentenbescherming; krediet; banken

Onderwerp :

- Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten;

- Richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van Richtlijn 87/102/EEG van de Raad;

 

Feiten:

De zaken C-222/19 en C-252/19 zijn gevoegd, en worden daarom samen beschreven in dit fiche. Beide zaken betreffen consumentenkrediet-overeenkomsten tussen de bank en een consument. Naast de contractuele kapitaalrente, is de consument ook geld verschuldigd voor de kosten van het krediet (vergoedingen voor de verstrekking en beheer van de lening, afsluitvergoeding, commissieloon, etc.). In C-222/19 sloot de consument een lening af voor 4.500 PLN (Poolse zloty), waarbij het totaal terug te betalen bedrag neerkwam op 9.225 PLN. De overeenkomst is gesloten voor een periode van 2 jaar. De overeengekomen maximale niet-rentekosten van het krediet bedroegen 3.825,- PLN. In C-252/19 gelden vergelijkbare omstandigheden; de consument sloot een lening af voor 5.000 PLN waarbij het totaal terug te betalen bedrag neerkwam op 10.764 PLN. Deze overeenkomst werd gesloten voor een periode van 3 jaar en de maximale niet-rentekosten van het krediet bedroegen 4.968,00 PLN. In beide gevallen werden de maximale niet-rentekosten berekend volgens de formule van artikel 36a u.k.k. waarbij de partijen daar niet afzonderlijk over hebben onderhandeld. De overeenkomsten zijn opgesteld op basis van een bestaand model en de terugbetalingen zijn verzekerd door middel van blanco orderbriefjes. De overeenkomsten zijn in beide gevallen door verzoekers opgezegd omdat de overeengekomen termijnen niet zijn afgelost. Verzoekers hebben de verwijzende rechter verzocht om verweersters (de consumenten) te verplichten tot betaling, en hebben in de bevelprocedure tevens verzocht om een betalingsbevel krachtens het ingevulde blanco orderbriefje. Verzoekers stellen dat de overeenkomsten rekening houden met de herziening van de wet waarin de maximale niet-rentekosten van het krediet worden gespecificeerd.

 

Overweging:

De u.k.k. (wet op het consumentenkrediet) is aangenomen ter omzetting in de nationale rechtsorde van richtlijn 2008/48. De bepalingen waren gericht op het verhogen van het niveau van bescherming van consumenten die gebruikmaken van de financiële diensten waarvoor geen toestemming van de commissie voor financieel toezicht vereist is. Ondernemers die voldoen aan de regelgeving inzake de maximale rente brengen echter tegelijkertijd hoge commissielonen en bijkomende niet-rentevergoedingen in rekening. Gelet op de wettelijke regeling en het dwingende karakter van de richtlijn, rijst de vraag of het de nationale wetgever vrijstaat om een afzonderlijk en onafhankelijk begrip “niet-rentekosten van het krediet” in te voeren dat eveneens betrekking heeft op de kwestie van de kosten voor de consument in verband met de kredietovereenkomst. Het antwoord op de prejudiciële vragen zal direct relevant zijn voor de vaststelling in welke zin de consument financieel mag worden belast met de kredietkosten. Er bestaan aanzienlijke verschillen in de nationale rechtspraak, wat negatieve gevolgen heeft voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de richtlijn en de doeltreffendheid van het Unierecht.

 

Prejudiciële vraag C-222/19

Moeten de bepalingen in richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB EU 1993, L 95, blz. 29), in het bijzonder artikel 3, lid 1, daarvan, en de Unierechtelijke beginselen van consumentenbescherming en evenwicht tussen contractpartijen aldus worden uitgelegd dat die bepalingen en beginselen in de weg staan aan de invoering in het nationale recht van de rechtsfiguur van de „maximale nietrentekosten van het krediet ˮ en van de wiskundige formule voor de berekening van die kosten volgens artikel 5, punt 6a, juncto artikel 36a van de ustawa o kredycie konsumenckim (wet op het consumentenkrediet) van 12 mei 2011 (geconsolideerde tekst Dz. U. 2018, volgnr. 993), op grond waarvan de kosten van de economische activiteit van de ondernemer tot de door de consument te dragen kredietkosten (totale kosten van het krediet) mogen worden gerekend?

 

Prejudiciële vraag C-252/19

Moeten de bepalingen van richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad, in het bijzonder artikel 3, onder g), en artikel 22, lid 1, daarvan, aldus worden uitgelegd dat zij in de weg

staan aan de invoering in het nationale recht van de rechtsfiguur van de „maximale niet-rentekosten van het krediet ˮ en van de wiskundige formule voor de berekening van die kosten volgens artikel 5, punt 6a, juncto artikel 36a van de ustawa o kredycie konsumenckim (wet op het consumentenkrediet) van 12 mei

2011 (geconsolideerde tekst Dz. U. 2018, volgnr. 993), op grond waarvan ook de kosten van de economische activiteit van de ondernemer tot de door de consument te dragen kredietkosten (totale kosten van het krediet) mogen worden gerekend?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-226/12 Constructora Principado SA/José;

Specifiek beleidsterrein: EZK; FIN