C-225/19 en C-226/19 Minister van Buitenlandse Zaken e.a.

C-225/19 en C-226/19 Minister van Buitenlandse Zaken e.a.

 Prejudiciële zaken  


Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 14 mei 2019
Schriftelijke opmerkingen: 30 juni 2019

Trefwoorden : weigering visum; bezwaar andere lidstaat; effectieve rechtsbescherming

Onderwerp :

- Verordening (EG) Nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (Visumcode);

- Verordening (EG) Nr. 767/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 19 juli 2008 betreffende het Visuminformatiesysteem (VIS) en de uitwisseling tussen de lidstaten van gegevens op het gebied van visa voor kort verblijf (VIS-verordening);

- Artikelen 41 en 47 Handvest;

 

Feiten:

In beide zaken hebben de eisers een aanvraag ingediend voor een visum voor familiebezoek in Nederland. Verweerder heeft dit visum geweigerd, tegen welk besluit eisers in bezwaar en beroep zijn gegaan. Het visum is geweigerd omdat eisers door één of meer lidstaten beschouwd worden als een bedreiging voor de openbare orde zoals omschreven in de Schengengrenscode of de internationale betrekkingen van één of meer lidstaten. Eisers hebben respectievelijk de Syrische en Egyptische nationaliteit, maar beide visumaanvragen zijn behandeld door de Nederlandse vertegenwoordiging in Jordanië. Na raadpleging zoals bedoeld in de Visumcode hebben respectievelijk Duitsland en Hongarije bezwaar gemaakt tegen de afgifte van het visum. In zaak C-226/19 zou Duitsland volgens eiser bezwaar gemaakt hebben omdat zij in het verleden via betaling aan een tussenpersoon een visum voor kort verblijf in Duitsland heeft verkregen. Dit visum bleek echter niet geregistreerd door de Duitse ambassade en zij is dan ook niet naar Duitsland afgereisd. In zaak C-225/19 is in het verleden een aanvraag van eiser voor kort verblijf in Hongarije afgewezen. Het is hem niet duidelijk waarom. Omtrent beide eisers is geen signalering in het Visuminformatiesysteem ter fine van weigering van een visum of in het Schengeninformatiesysteem ter fine van weigering van toegang tot de Schengenzone opgenomen.

 

Overweging:

In deze zaken is het visum niet op grond van het Visuminformatiesysteem (VIS) of het Schengeninformatiesysteem (SIS) geweigerd. Eisers zijn ook niet in dergelijke systemen gesignaleerd. De verwijzende rechter vraagt zich dan ook af hoe de afwijzingsgrond in het beroep tegen de afwijzing kan worden getoetst, en of die toetsing een doeltreffende voorziening in rechte oplevert. In de nationale rechtspraak is in vergelijkbare situaties aangenomen dat er in de andere lidstaat een toereikende rechtsgang open stond tegen het bezwaar van die andere lidstaat. Daarbij was echter wel sprake van een Europese signalering. In andere uitspraken is geoordeeld dat die rechtsgang niet bestaat of niet toereikend is. In de definitieve weigeringsbesluiten heeft verweerder niet aangegeven of en hoe eisers tegen het bezwaar in respectievelijk Duitsland en Hongarije kunnen opkomen. De inhoud van de bezwaren van deze lidstaten staat ook niet vast. Verder is het niet duidelijk of de Duitse/Hongaarse autoriteiten een tegen eisers gericht besluit hebben genomen dat betrekking had op de openbare orde. Aangezien de verwijzende rechter deze weigeringsgrond niet zelf inhoudelijk kan toetsen, vraagt hij zich dus af of er in deze situatie geen schending is van in het bijzonder artikelen 41 en 47 van het Handvest. Daarnaast twijfelt hij of de verwijzing naar een procedure in een ander land zich verdraagt met het éénloketprincipe.

 

Prejudiciële vragen:

1. Is in geval van een beroep als bedoeld in artikel 32, derde lid, van de Visumcode tegen een definitieve beslissing tot weigering van een visum op de grond genoemd in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, sub vi, van de Visumcode, sprake van een doeltreffende voorziening in rechte in de zin van artikel 47 van het EU Handvest onder de volgende omstandigheden:

- in de motivering van de beslissing heeft de lidstaat volstaan met: ''u wordt door één of meer lidstaten beschouwd als een bedreiging van de openbare orde, de binnenlandse veiligheid, de volksgezondheid, als omschreven in artikel 2, negentiende, althans eenentwintigste, lid, van de Schengengrenscode of de internationale betrekkingen van één of meer van de lidstaten";

- bij de beslissing of in het beroep vermeldt de lidstaat niet welke specifieke grond of gronden van die vier gronden uit artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a), sub vi), van de Visumcode wordt tegengeworpen;

- in het beroep verstrekt de lidstaat geen nadere inhoudelijke informatie of onderbouwing van de grond of gronden die ten grondslag liggen aan het bezwaar van de andere lidstaat (of lidstaten)?

2. Is onder de in vraag 1 geschetste omstandigheden sprake van behoorlijk bestuur in de zin van artikel 41 van het EU Handvest, met name vanwege de plicht van de betrokken diensten hun beslissingen met redenen te omkleden?

3.a. Moeten de vragen 1 en 2 anders worden beantwoord als de lidstaat in het definitieve besluit over het visum verwijst naar een daadwerkelijk bestaande en daarbij voldoende duidelijk gespecificeerde beroepsmogelijkheid in de andere lidstaat tegen de met name genoemde verantwoordelijke autoriteit in die andere lidstaat (of lidstaten) die het in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a), sub vi) van de Visumcode bedoelde bezwaar heeft (of hebben) gemaakt, waarin die weigeringsgrond aan de orde kan worden gesteld?

3.b. Is voor een bevestigende beantwoording van vraag 1 in verband met vraag 3.a vereist dat de beslissing in het beroep in en tegen de lidstaat die de definitieve beslissing heeft genomen, wordt opgeschort totdat de aanvrager de gelegenheid heeft gehad van de beroepsmogelijkheid in de andere lidstaat (of lidstaten) gebruik te maken en, indien de aanvrager daar gebruik van maakt, de (definitieve) beslissing op dat beroep is verkregen?

4. Maakt het voor de beantwoording van de vragen uit of (de autoriteit in) de lidstaat (of de lidstaten) die het bezwaar tegen de afgifte van het visum heeft (of hebben) gemaakt de gelegenheid kan worden geboden in het beroep tegen de definitieve beslissing over het visum als tweede wederpartij op te treden en uit dien hoofde in de gelegenheid gesteld kan (of kunnen) worden een onderbouwing van de grond of gronden in te brengen, die ten grondslag liggen aan zijn bezwaar?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-84/12; C-437/13; C-503/03;

Specifiek beleidsterrein: BZ;