C-229/19 en C-289/19 Dexia Nederland e.a.

Prejudiciele hofzaak


Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).


Termijnen: Motivering departement: 21 juni 2019
Schriftelijke opmerkingen: 7 augustus 2019

Trefwoorden: oneerlijke bedingen; consumentenbescherming; banken

Onderwerp:

- Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten;

 

Feiten:

De geschillen betreffen de zogenaamde "effectenleaseovereenkomsten", die eind jaren negentig op grote schaal werden aangeboden door banken. Op grond van deze leaseovereenkomsten sluit een consument een lening af bij een bank, die dat geld vervolgens gebruikt om zekerheden voor die consument te kopen. Het doel van de overeenkomst is dat de aandelen aan het einde van de looptijd worden verkocht en de lening met de opbrengst wordt terugbetaald. Afhankelijk van de prijs van de aandelen blijft er, afhankelijk van de koers van de aandelen, nog het volgende over: ofwel een winst ofwel een restschuld voor de consument. In de zaken C-229/19 en C-289/19 hebben twee ‘kopers’ ieder twee leaseovereenkomsten afgesloten met een rechtsvoorganger van Dexia (de bank). Dexia heeft de leaseovereenkomsten - na de kopers tot betaling te hebben aangemaand en in gebreke te hebben gesteld vanwege betalingsachterstanden – tussentijds beëindigd en eindafrekeningen opgesteld. In C-229/19 werd het negatieve saldo van €14.457,35 aan de koper in rekening gebracht, en in C-289/19 ging het om een bedrag van €8.607,22 per leaseovereenkomst. De kopers hebben in eerste aanleg verzocht om nietigverklaring (of ontbinding) van de leaseovereenkomsten, of althans de vaststelling dat Dexia onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld. Bij vonnis van heeft de kantonrechter bevolen dat Dexia schadevergoeding dient te betalen aan de kopers. De vorderingen van Dexia werden afgewezen. Dexia heeft hiertegen beroep aangetekend. De kopers verzochten op hun beurt om een hogere schadevergoeding.

 

Overweging:

Het bedrag dat Dexia op grond van artikel 6:277 BW kan vorderen, kan hoger zijn dan het bedrag dat Dexia op grond van artikel 6 van de bijzondere voorwaarden van de effectenleaseovereenkomst had kunnen vorderen. Dit komt door het verschil tussen de contractueel vastgelegde rente (in 2000) en de aanzienlijk lagere marktrente op het tijdstip van de ontbinding van de overeenkomst (in 2006). Door het tijdsverloop en de daling van de rente zou de koper in die specifieke situatie dus meer nadeel kunnen ondervinden van de toepassing van de aanvullende wetgeving (artikel 6:277 BW) dan van de toepassing van de (nietige) artikel 6 van de Bijzondere voorwaarden van de effectenleaseovereenkomst. De vraag is of Dexia in een dergelijk geval een beroep kan doen op een wettelijke bepaling uit de aanvullende wetgeving. Een soortgelijke vraag werd gesteld in de gevoegde zaken C-96/16 en C-94/17. Deze vraag werd echter onbeantwoord gelaten door het Hof. Tegen deze achtergrond en gelet op het feit dat deze vragen een rol kunnen spelen in een groot aantal soortgelijke gevallen, worden de vragen hier gesteld.

 

Prejudiciële vraag C-229/19:

Dient richtlijn 93/13 aldus te worden uitgelegd dat een beding uit oogpunt van de in deze richtlijn gegeven criteria reeds als oneerlijk dient te worden aangemerkt, als dat beding, beoordeeld naar alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst, de enkele mogelijkheid van een aanzienlijke verstoring van het evenwicht in zich draagt afhankelijk van de omstandigheden die zich gedurende de looptijd van de overeenkomst voordoen, in het bijzonder doordat het beding een mogelijk voordeel dat op het moment van vroegtijdige beëindiging van de overeenkomst voor de verkoper ontstaat bij voorbaat fixeert op een bepaald percentage van de resterende leasesom, in afwijking van de toepasselijke regels van nationaal recht waarbij dat voordeel niet bij voorbaat is gefixeerd maar dient te worden vastgesteld aan de hand van de omstandigheden rond de beëindiging van de overeenkomst, in het bijzonder de hoogte van het rentepercentage waartegen een vervroegd ontvangen bedrag gedurende de resterende looptijd kan worden uitgezet?

 

Prejudiciële vragen C-289/19:

1. Kan de gebruiker van een vernietigd oneerlijk beding, dat strekte tot betaling van een vergoeding bij niet-nakoming door de consument van diens verbintenissen, een beroep doen op de bij wege van aanvullend recht geldende wettelijke schadevergoeding?

2. Maakt het voor de beantwoording van deze vraag nog verschil of de vergoeding waarop bij toepassing van de wettelijke schadevergoedingsregeling aanspraak kan worden gemaakt, gelijk is aan dan wel lager of hoger is dan de vergoeding overeenkomstig het vernietigde beding?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-96/16 en C-94/17 Banco Santander; C-415/11; C-186/16;

Specifiek beleidsterrein: EZK