C-237/19 Gömböc

C-237/19 Gömböc

Prejudiciële hofzaak


Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 22 mei 2019
Schriftelijke opmerkingen: 8 juli 2019

Trefwoorden : Intellectuele Eigendom, Merkenrecht,

Onderwerp :

- Richtlijn 2008/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten, Artikel 3, lid 1, onder e), ii), en Artikel 3, lid 1, onder e), iii).

 

Feiten:

Gömböc heeft een aanvraag gedaan voor inschrijving van driedimensionaal teken als merk voor siervoorwerpen (overkoepelend en siervoorwerpen van glas en keramiek) en speelgoederen in Hongarije bij het Bureau voor IE. Het Bureau heeft deze aanvraag op basis van een weigeringsgrond in de Hongaarse Merkenwet afgewezen. De inschrijving als speelgoed is geweigerd omdat het teken een vorm is die noodzakelijk geacht wordt voor de technische uitkomst van Gömböc, wat de keuzevrijheid van concurrenten zou beperken. Met betrekking tot het merk als siervoorwerp stelt het Bureau dat siervoorwerpen worden uitgesloten van merkregistratie als ze uitsluitend bestaan uit de vorm, en de Gömböc ontleent zijn opvallende verschijningsvorm aan het ontwerp. Tegen deze beslissing stelt Gömböc een herzieningsverzoek in dat de rechter in eerste aanleg afwijst in verband met het vereiste dat de weigeringsgrond toegepast op speelgoed geen verband moet houden met de materiaalstructurele kenmerken van de Gömböc. De rechter in eerste aanleg stelde wel dat het Bureau niet kon stellen dat de esthetiek een wezenlijke waarde aan de vorm van het teken geven, maar dat consumenten het voorwerp willen bezitten omdat het tastbare wiskunde is. In tweede aanleg bekrachtigde de rechter de gegeven beslissing, waarbij hij zich op het standpunt stelde dat de weigeringsgronden niet onderzocht hoefde te worden. De verzoekster heeft hiertegen cassatieberoep ingesteld, mede omdat de rechter in tweede aanleg categorisch weigert een merk in te schrijven waar modelbescherming voor is verkregen.

 

Overweging:

De rechtspraak van het Hof inzake de op de betrokken speciale driedimensionale vorm toepasselijke weigeringsgronden is momenteel nog niet dermate uitgekristalliseerd en uitputtend dat er geen nadere juridische uitleggingsvragen kunnen opkomen. De gestelde vragen vormen een daadwerkelijk probleem bij de toepassing van het recht, waarop het Hof tot op heden in zijn richtsnoeren nog geen volledig uitputtend antwoord heeft gegeven. De verwijzende rechter vraagt of, wanneer het teken uitsluitend bestaat uit de vorm van de waar, dit vastgesteld moet worden door te kijken naar de grafische voorstelling of ook meegewogen kan worden dat de vorm nodig is (samen met andere eigenschappen) en dit bekend is bij het doelpubliek. De tweede vraag duidt op de weigeringsgrond geldend voor siervoorwerpen, en of bij de toepassing hiervan van belang is dat het teken uitsluitend bestaat uit de vorm van het product. Met de derde vraag, sub a, verzoekt de rechter inzicht te krijgen in de relatie tussen al eerder verkregen modellenbescherming en het weigeren van de toekenning van een vormmerk, aangezien het verkrijgen van een modellenrecht leidt tot erkenning van het esthetische karakter van de waar dat de wezenlijke waarde eraan geeft en of dit op voorhand registratie als vormmerk uitsluit. Laatstelijk wil de verwijzende rechter duidelijkheid over de verhouding tussen het inschrijven van driedimensionale voorwerpen als vormmerk en de weigeringsgrond.

 

Prejudiciële vragen:

1) Dient artikel 3, lid 1, onder e), ii), van richtlijn 2008/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten aldus te worden uitgelegd dat wanneer een teken uitsluitend bestaat uit de vorm van de waar

a) uitsluitend op grond van de in het register opgenomen grafische voorstelling onderzocht kan worden of de vorm noodzakelijk is om een bepaalde technische uitkomst te verkrijgen, of

b) kan in dat geval tevens rekening worden gehouden met de perceptie van het doelpubliek?

Met andere woorden; kan er rekening mee worden gehouden dat voor het doelpubliek bekend is dat de vorm waarvoor bescherming wordt aangevraagd noodzakelijk is om een bepaalde technische uitkomst te verkrijgen?

2) Dient artikel 3, lid 1, onder e), iii), van richtlijn 2008/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten aldus te worden uitgelegd dat de weigeringsgrond van toepassing is op tekens die uitsluitend bestaan uit de vorm van de waar en waarvan, rekening houdend met de perceptie van de grafisch afgebeelde waar door het doelpubliek en de bekendheid van het doelpubliek met de waar, kan worden vastgesteld dat de vorm een wezenlijke waarde aan de waar geeft?

3) Dient artikel 3, lid 1, onder e), iii), van richtlijn 2008/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten aldus te worden uitgelegd dat de weigeringsgrond van toepassing is op tekens die uitsluitend bestaan uit een vorm

a) die op basis van het eigen karakter modellenbescherming geniet, of

b) waarvan de esthetische verschijning het enige is waaraan de betreffende waar zijn waarde ontleent?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

C-205/13 Hauck GmbH & Co. KG tegen Stokke A/S e.a; C-299/99 Koninklijke Phillips NV tegen Remington Consumer Products Ltd; C-239/05 BVBA Management, Training en Consultancy tegen Benelux-Merkenbureau; C-53/01 – C-55/01 Linde, Winward, Rado; C-30/15 P Simba Toys GmbH & Co. KG tegen EUIPO e.a.; C-337/12 P – C-340/12 P Pi-Design e.a. tegen Yoshida Metal Industry; C-48/09 Lego Juris A/S tegen OHIM.

Specifiek beleidsterrein: EZK