C-24/19 A.e.a.

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

 

Termijnen: Motivering departement: 22 maart 2019
Schriftelijke opmerkingen: 8 mei 2019

Trefwoorden : milieueffectrapportage; plan of programma;

Onderwerp :

- Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen van bepaalde plannen en programma's voor het milieu (hierna: SMB-richtlijn);

- Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG

- Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten;

 

Feiten:

Verweerster is de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar van de afdeling Ruimte Vlaanderen (afdeling Oost-Vlaanderen). Op 25.03.2011 heeft de aanvrager (NV Electrabel) bij de verweerster een aanvraag ingediend voor een stedenbouwkundige vergunning voor de installatie van acht windturbines. In de loop van de procedure, werd de aanvraag voor een van de turbines ingetrokken. Uiteindelijk heeft verweerster een stedenbouwkundige vergunning verleend (onder voorwaarden) voor het bouwen van vijf windturbines op percelen van gronden langs de autosnelweg E40 op het grondgebied van Aalter en Nevele. Verzoekers (A, B, C, D, E) vorderen nietigverklaring van deze beslissing van verweerster van 30.11.2016. Het bestreden besluit is genomen na onderzoek van de ontvangen bezwaren en opmerkingen. De bezwaren hadden onder meer betrekking op de visuele impact, geluidsoverlast, ruimtelijke ordening, slagschaduw, lichtbebakening, en veiligheid. In de bestreden beschikking worden de bezwaren van belanghebbenden ontvankelijk verklaard, maar ongegrond (behalve met betrekking tot één turbine). De bestreden beschikking gaat o.a. uitgebreid in op de watertoets, het milieueffectrapport, en de beoordeling van een goede ruimtelijke ordening. De aangevoerde redenen hebben betrekking op relevante Vlaamse wetgeving, waaronder VLAREM II en de Omzendbrief, die aanleiding geven tot de prejudiciële vragen van de verwijzende rechter.

 

Overweging:

De verwijzende rechter wenst vast te stellen of de bepalingen van een besluit van de Vlaamse Regering (artikel 5.20.6 VLAREM II) en de Omzendbrief van dezelfde overheid kunnen worden beschouwd als een “plan of programma” in de zin van de SMB-richtlijn. Als dat het geval is en de twee instrumenten niet in overeenstemming lijken te zijn met de bovengenoemde richtlijn, wat zijn de gevolgen die de verwijzende rechter daaraan kan of moet hechten?

 

Prejudiciële vragen:

Brengen artikel 2, onder a), en artikel 3, tweede lid, onder a) van richtlijn 2001/42/EEG met zich mee dat artikel 99 van het besluit van de Vlaamse regering van 23 december 2011 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende de vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning en van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, wat betreft de actualisatie van voormelde besluiten aan de evolutie van de techniek, die afdeling 5.20.6 betreffende de installaties voor het opwekken van elektriciteit door middel van windenergie invoert in VLAREM II, en de Omzendbrief 'Afwegingskader en randvoorwaarden voor de inplanting van windturbines' van 2006 [samen benoemd als de “voorliggende instrumenten”], die allebei verschillende bepalingen voor de installatie van windmolens bevatten, waaronder maatregelen inzake veiligheid, en naargelang van de planologische zones gedefinieerde slagschaduw, alsook geluidsnormen, moeten worden gekwalificeerd als een 'plan of programma' in de zin van de richtlijnbepalingen? Indien blijkt dat een milieubeoordeling moest worden doorgevoerd voor de vaststelling van de voorliggende instrumenten, kan de Raad de rechtsgevolgen van de onwettige aard van die instrumenten in de tijd moduleren? Hiertoe dienen een aantal subvragen worden gesteld:

1. Kan een beleidsinstrument zoals de voorliggende omzendbrief, waarvan de bevoegdheid tot opmaak omvat zit in de beoordelingsruimte en beleidsvrijheid van de desbetreffende overheid, waardoor er geen sprake is van een eigenlijk aangeven van de bevoegde overheid om het 'plan of programma' op te stellen, en waarvoor ook niet is voorzien in een formele opmaakprocedure, beschouwd worden als een plan of programma in de zin van artikel 2, onder a) SMB-richtlijn?

2. Is het voldoende dat een beleidsinstrument of algemene regel, zoals de voorliggende instrumenten, gedeeltelijk voorziet in een inperking van de appreciatiemarge van een vergunningverlenende overheid, om beschouwd te kunnen worden als een "plan of programma" in de zin van artikel 2, onder a) SMB-richtlijn, zelfs indien zij niet dienen als vereiste, als noodzakelijke voorwaarde om een vergunning te verlenen of niet de bedoeling hebben om een kader voor toekomstige vergunningverlening te vormen, niettegenstaande de Europese wetgever heeft aangegeven dat deze finaliteit een element van de definitie van "plannen en programma's" vormt?

3. Kan een beleidsinstrument, waarvan de opmaak is ingegeven door de rechtszekerheid en dus een volledig vrije beslissing uitmaakt, zoals de voorliggende omzendbrief gedefinieerd worden als een "plan of programma" in de zin van artikel 2, onder a) SMB-richtlijn en gaat een dergelijke interpretatie niet in tegen de rechtspraak van het Hof van Justitie dat een teleologische uitlegging van een richtlijn niet fundamenteel mag afwijken van de duidelijk tot uitdrukking gebrachte wil van de wetgever van de Unie?

4. Kan afdeling 5.20.6 Vlarem II, waar de erin vervatte regels niet verplicht dienden te worden opgesteld, worden gedefinieerd als een "plan of programma" in de zin van artikel 2, onder a) SMB-richtlijn en gaat een dergelijke interpretatie niet in tegen de rechtspraak van het Hof van Justitie dat een teleologische uitlegging van een richtlijn niet fundamenteel mag afwijken van de duidelijk tot uitdrukking gebrachte wil van de wetgever van de Unie?

5. Kunnen een beleidsinstrument en een normatief regeringsbesluit zoals de voorliggende instrumenten, die een beperkte indicatieve waarde kennen, of minstens geen kader vaststellen waaraan enig recht tot het uitvoeren van een project kan afgeleid worden en waaruit geen recht op een kader, een mate waarbinnen projecten mogen worden toegestaan afgeleid kan worden, beschouwd worden als een "plan of programma" "die het kader vormen voor de toekenning van toekomstige vergunningen" in de zin van artikel 2, onder a) en 3, tweede lid SMB-richtlijn en gaat een dergelijke interpretatie niet in tegen de rechtspraak van het Hof dat een teleologische uitlegging van een richtlijn niet fundamenteel mag afwijken van de duidelijk tot uitdrukking gebrachte wil van de wetgever van de Unie?

6. Kan een beleidsinstrument zoals Omzendbrief: EME/2006/01- RO/2006/02 dat een louter indicatieve waarde heeft en/of een normatief regeringsbesluit zoals afdeling 5.20.6 Vlarem II dat louter minimumgrenzen vaststelt voor vergunningverlening en daarnaast een volledig autonome werking als algemene regel kent; die beide slechts een beperkt aantal criteria en modaliteiten omvatten; en die geen van beide voor ook maar een enkel criterium of modaliteit alleenbepalend zijn en waarvan aldus kan beargumenteerd worden dat op basis van objectieve gegevens kan uitgesloten worden dat ze significante milieugevolgen kunnen hebben; beschouwd worden als een "plan of programma" in een samenlezing van

artikel 2, onder a) en artikel 3, eerste en tweede lid SMB-richtlijn en of ze aldus beschouwd kunnen worden als handelingen die, door vaststelling van op de betrokken sector toepasselijke regels en controleprocedures, een heel pakket criteria en modaliteiten vaststellen voor de goedkeuring en de uitvoering van één of meerdere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben?

7. Kan een rechterlijke instantie, indien het antwoord op vorige vraag negatief is, dit zelf vaststellen, nadat het besluit of de pseudo-wetgeving (zoals de voorliggende Vlarem-normen en omzendbrief,) werd vastgesteld?

8. Kan een rechterlijke instantie, indien die alleen indirect bevoegd is via een exceptie, waarvan het resultaat inter partes geldt en indien uit het antwoord op de prejudiciële vragen blijkt dat de voorliggende instrumenten onwettig zijn, besluiten de gevolgen van het onwettig besluit en/of de onwettige omzendbrief te handhaven indien de onwettige instrumenten bijdragen aan een doel van milieubescherming, zoals dat ook nagestreefd wordt door een richtlijn in de zin van artikel 288 VWEU en voldaan is aan de vereisten die het Unierecht (zoals bepaald in het arrest Association France Nature Environnement) aan dergelijke handhaving stelt?

9. Kan een rechterlijke instantie, indien het antwoord op vraag 8 negatief is, besluiten de gevolgen van het bestreden project te handhaven om daarmee onrechtstreeks te voldoen aan de vereisten die het Unierecht (zoals bepaald in het arrest Association France Nature Environnement) aan de handhaving van de rechtsgevolgen van het plan of programma dat niet aan de SMB-richtlijn conformeert, stelt?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-290/15; C-671/16 Inter-Environnement Bruxelles ASBL e.a.; C-160/17.; C-567/10 Inter-Environnement Bruxelles ASBL e.a.; C-671/16 Inter-Environnement Brussels Hoofdstedelijk Gewest; Concusie AG KOKOTT C-105/09 en C-110/09 Terre wallonne ASBL; C-567/10 Inter-Environnement Bruxelles ASBL; C-275/09 Brussels Hoofdstedelijk Gewest e.a.

Specifiek beleidsterrein: EZK; IenW

​​​​​​​