C-25/20 ALPINE BAU

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     11 maart 2020
Schriftelijke opmerkingen:                      26 april 2020

Trefwoorden : insolventieprocedure, termijnen, faillissement

Onderwerp :

Verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures

 

Feiten:

Bij beschikking van 19-06-2013 heeft de handelsrechter van Wenen tegen de vennootschap ALPINE BAU GmbH een insolventieprocedure ingesteld, die begon als surseanceprocedure doch op 04-07-2013 werd omgezet in een faillissementsprocedure. Op 06-08-2013 heeft de curator van de hoofdinsolventieprocedure bij de Sloveense rechter in eerste aanleg een verzoek ingediend om een secundaire faillissementsprocedure te openen tegen ALPINE BAU GMBH. Bij beslissing van 09-08-2013 heeft de rechter in eerste aanleg de secundaire faillissementsprocedure tegen dit bijkantoor geopend, en bij kennisgeving die op de website van de AJPES (Bureau van de Republiek Slovenië voor openbare juridische documenten en aanverwante diensten) werd gepubliceerd, de schuldeisers en de curatoren geïnformeerd dat zij op grond van artikel 32 van verordening 1346/2000 het recht hadden hun vorderingen in de hoofdprocedure en in elke secundaire procedure in te dienen. Deze rechter heeft de schuldeisers verzocht om hun vorderingen en voorkeursrechten binnen een termijn van drie maanden na de publicatie van deze kennisgeving in deze secundaire faillissementsprocedure in te dienen, en vermeld dat de uiterste datum voor indiening van vorderingen 11-11-2013 was. Op 30-01-2018 heeft de curator van de hoofdinsolventieprocedure in die secundaire faillissementsprocedure op grond van artikel 32, lid 2, van de verordening een verzoek tot indiening van vorderingen ingediend, en de faillissementsrechter verzocht dit verzoek toe te wijzen en de ingediende vorderingen in aanmerking te nemen bij elke verdere uitdeling tot voldoening van schuldeisers in het kader van de secundaire faillissementsprocedure. De rechter in eerste aanleg heeft dit verzoek op 05-07-2019 als tardief afgewezen op grond van artikel 296, lid 5, ZFPPIPP en verklaard dat de in artikel 59, lid 2, ZFPPIPP bedoelde termijn voor het indienen van vorderingen was verstreken. De curator van de aanhangige hoofdinsolventieprocedure tegen ALPINE BAU heeft vervolgens hoger beroep ingesteld tegen deze beslissing.

 

Overweging:

De materieelrechtelijke hoofdvraag is of voor de indiening in andere procedures, door curatoren van hoofdprocedures en van willekeurige andere, secundaire procedures, van vorderingen die reeds zijn ingediend in de procedure waarvoor deze curatoren aangewezen zijn, de termijnen gelden die van toepassing zijn op de indiening van vorderingen van schuldeisers volgens de regeling van de staat waarin deze procedures plaatsvinden, dan wel of de verordening de curator in artikel 32, lid 2, daarvan een bijzonder recht toekent om zonder tijdslimiet vorderingen in andere insolventieprocedures in te dienen. De verwijzende rechter stelt dat naast de bepaling dat de curatoren van de hoofdprocedure en van een secundaire procedure in een andere procedure de vorderingen indienen die reeds zijn ingediend in de procedure waarvoor zij aangewezen zijn (afgezien van een aanvullende voorwaarde en onder voorbehoud van een recht van de schuldeisers), de verordening in artikel 32, lid 2, geen elementen bevat waaruit ondubbelzinnig blijkt op welke wijze deze indiening van vorderingen moet worden behandeld. Evenmin is duidelijk of ook voor de indiening door de curatoren van vorderingen als bedoeld in artikel 32, lid 2, van de verordening de in het Sloveense recht vastgestelde termijnen voor indiening van vorderingen van schuldeisers alsmede de gevolgen van een tardieve indiening gelden.

 

Prejudiciële vraag:

Moet artikel 32, lid 2, van verordening (EG) nr. 1346/2000 aldus worden uitgelegd dat op de indiening van vorderingen in een secundaire procedure door de curator van de hoofdinsolventieprocedure, de bepalingen betreffende de termijnen voor indiening van vorderingen van schuldeisers en de gevolgen van tardieve indiening van toepassing zijn op grond van de wet van de staat waarin de secundaire procedure plaatsvindt?”

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: JenV