C-255/19 Secretary of State for the Home Department

Prejudiciële hofzaak


Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 15 mei 2019
Schriftelijke opmerkingen: 01 juli 2019

Trefwoorden : subsidiaire bescherming; vluchteling;

Onderwerp :

- Richtlijn 2004/83/EG van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (hierna: erkenningsrichtlijn);

- Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming.

 

Feiten:

Verweerder is onderdaan van Somalië, maakt deel uit van een minderheidsclan, en is afkomstig van Mogadishu. Hij verliet Mogadishu rond 2001, nadat hij en zijn echtgenote in het begin van de jaren 1990 waren vervolgd door de Hawiye-militie (beiden slachtoffer van een gewelddadige aanval). In juli 2001 vluchtte hij samen met zijn echtgenote van Somalië naar Kenia. Dat jaar kwam zijn echtgenote naar het Verenigd Koninkrijk. In oktober 2001 kreeg zij op grond van de bovenvermelde vervolging de vluchtelingenstatus in het Verenigd Koninkrijk. Verweerder kwam in 2003 naar het Verenigd Koninkrijk en kreeg de vluchtelingenstatus als persoon die van haar afhankelijk was. Hij en zijn eerste echtgenote zijn niet meer gehuwd. Verweerder heeft meerdere strafbare feiten gepleegd waardoor hem op 27.04.2016 een verwijderingsmaatregel werd opgelegd. Verweerder is opgekomen tegen die maatregel. Verzoekster voert aan dat de omstandigheden in Somalië duurzaam zijn gewijzigd en de staat nu doeltreffende bescherming biedt. Verweerder voert aan dat hij in Mogadishu een gegronde vrees voor vervolging heeft en dat de overheidsinstanties in Mogadishu niet in staat zijn hem te beschermen tegen ernstige schade. Het volstaat volgens verweerder niet dat bijstand en bescherming van familie en/of medeclanleden beschikbaar is. Bij de beoordeling of de omstandigheden in Mogadishu ingrijpend en duurzaam waren gewijzigd, mag wettelijk gezien geen rekening worden gehouden met beschermingsfuncties die door niet-staatsactoren worden uitgeoefend. De zaak is thans aanhangig bij de verwijzende rechter, waarbij het nu gaat om uitlegging van §339A van de Immigration Rules van het Verenigd Koninkrijk, die artikel 11(1)e) van de erkenningsrichtlijn heeft omgezet.

 

Overweging:

Het Hof had in het arrest Abdulla reeds vastgesteld dat het begrip “bescherming” van artikel 11(1)e) van de erkenningsrichtlijn hetzelfde is als het begrip “bescherming” van artikel 7 van die richtlijn. In dat arrest wordt niet ingegaan op de vraag of bescherming van het land van de nationaliteit beperkt is tot bescherming van staatswege. Ook wordt niet ingegaan op de vraag of, indien dat het geval is, bij de beoordeling van de beschikbaarheid en de doeltreffendheid van de bescherming van staatswege alleen rekening mag worden gehouden met de beschermingsfuncties die door staatsactoren worden uitgeoefend. Het is onduidelijk wat ter zake de stand van het recht is, daarom heeft de verwijzende rechter het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de onderstaande vragen.

 

Prejudiciële vragen:

1) Dient „bescherming [...] van het land van zijn nationaliteit” in de zin van artikel 11, lid 1, onder e) en artikel 2, onder e) van [richtlijn 2004/83/EG; de erkenningsrichtlijn] te worden opgevat als bescherming van staatswege?

2) Dient bij de beslissing over de vraag of er sprake is van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van artikel 2, onder e), van [de erkenningsrichtlijn] en de vraag of er bescherming beschikbaar is tegen dergelijke vervolging in de zin van artikel 7 [van de erkenningsrichtlijn], de „beschermingstest” of het „beschermingsonderzoek” op beide vragen te worden toegepast en zo ja, gelden voor die test of dat onderzoek in beide gevallen dezelfde criteria?

3) Wanneer geen rekening wordt gehouden met de beschikbaarheid van bescherming door niet-staatsactoren in de zin van artikel 7, lid 1, onder b), en ervan uitgaande dat het antwoord op vraag 1) hierboven bevestigend is, dienen bij de beoordeling of de bescherming doeltreffend of beschikbaar is alleen beschermende handelingen/functies van staatsactoren in aanmerking te worden genomen of kan rekening worden gehouden met de beschermende handelingen/functies van particuliere actoren (het maatschappelijk middenveld), zoals families en/of clans?

4) Zijn – zoals is aangenomen in vragen 2) en 3) – de criteria voor het „beschermingsonderzoek” dat moet worden gevoerd wanneer beëindiging in de context van artikel 11, lid 1, onder e), wordt overwogen, dezelfde als die welke in de context van artikel 7 gelden?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: gevoegde zaken C-175/08, C-176/08, C-178/08 C-179/08 tegen Bundesrepublik Deutschland

Specifiek beleidsterrein: JenV-dmb