C-256/19

Prejudiciële hofzaak


Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 21 mei 2019
Schriftelijke opmerkingen: 7 juli 2019

Trefwoorden : Rechterlijke bevoegdheid, rechtsbescherming; handvest

Onderwerp :

- VEU artikel 19(1) tweede alinea;

- Handvest van de grondrechten van de Europese Unie Artikelen 31 en 47;

- Richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd;

 

Feiten:

Bij de verwijzende rechter zijn door de griffie – per abuis – twee beroepen als één enkel rechtsmiddel met één zaaknummer toegewezen, hoewel aan de beroepen op zichzelf staande besluiten inzake twee op zichzelf staande bezwaren ten grondslag liggen. De toewijzing is hierdoor in strijd met de regels inzake de zaakverdeling. De verwijzende rechter heeft – vanwege de onjuiste toewijzing – een “exceptie van onbevoegdheid opgeworpen”. Hierna heeft de president van het gerecht, zonder de bevoegde commissie hierbij te betrekken, mondeling gelast dat het rechtsmiddel ondergebracht diende te worden bij een andere procedure (bij dezelfde verwijzende rechter). Deze toewijzing is in strijd met regels inzake de zaakverdeling, aangezien de proceshandeling opnieuw had moeten worden toegewezen. De toewijzing werd nergens schriftelijk vastgelegd, de verwijzende rechter heeft hier per toeval kennis van genomen. De verwijzende rechter heeft verzocht om vaststelling dat hij niet bevoegd is en heeft daarbij aangevoerd dat een desondanks door hem genomen beslissing in strijd zou zijn met de grondwet en artikel 6(1) EVRM, met als gevolg mogelijke sancties. De president van het Verwaltungsgericht Wien heeft de verwijzende rechter bij brief medegedeeld dat hij bevoegd en verplicht is om over het rechtsmiddel te beslissen. De verwijzende rechter is tegen deze beslissing opgekomen bij het Verwaltungsgerichtshof. Het Verwaltungsgerichtshof heeft dit rechtsmiddel afgewezen aangezien alleen een partij bij een procedure het recht heeft om de dreigende schending van de grondwet en verdragen aan de orde te stellen, en niet de rechter.

 

Overweging:

Heikelpunt in casu is dat er in Oostenrijk geen rechtsmiddel openstaat tegen een dergelijke handelwijze van een president van een gerecht. De verwijzende rechter twijfelt daarom of de wetgever veilig moet stellen dat een zaakverdeling niet puur theoretisch van aard is, maar ook doeltreffend. Ook is de rechter benieuwd welke bevoegde, onafhankelijke rechterlijke instantie met volledige toetsingsbevoegdheid kan beslissen over de bevoegdheid van de rechter in de bodemprocedure, en als dit rechtsmiddel niet bestaat of de bodemrechter wordt ontzegd, dan rijst de vraag of de rechter begunstigde is van de garanties uit artikel 47 van het Handvest. De derde vraag van de verwijzende rechter heeft betrekking op de vermeende schending van artikel 47 van het Handvest gezien de rechtspraak van het EHRM. De rechtssituatie in casu staat op gespannen voet met het grondrecht op het instellen van een doeltreffend rechtsmiddel. Verder wil de verwijzende rechter verzekeren dat de rechtsgang in Oostenrijk transparant verloopt door afdwingbare bepalingen vastgesteld door de wetgever. Met de vijfde vraag doelt de rechter op de onmogelijkheid tot toetsing van de rechtmatigheid van zaaktoewijzing. Ten slotte geeft de verwijzende rechter aan dat als in strijd met de regeling wordt gehandeld, dit een schending van artikel 47 Handvest zou zijn die hij evenwel niet aan de kaak kan stellen.

 

Prejudiciële vragen:

1) Moeten artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU juncto artikel 47 van het Handvest evenals het doeltreffendheidsbeginsel op zijn minst ten aanzien van een nationale rechtsorde welke met het oog op het veiligstellen van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechterlijke instanties in haar grondwet een grondrecht heeft opgenomen op de rechterlijke toewijzing van zaken volgens een vooraf volgens algemene regels bepaalde vaste zaakverdeling, aldus worden uitgelegd dat de wetgever moet waarborgen dat deze garantie doeltreffend en niet slechts theoretisch van aard is?

1a) Aanvullende vraag - indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord: Schrijven artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU juncto artikel 47 van het Handvest evenals het doeltreffendheidsbeginsel in een nationale rechtsorde waarin het grondrecht op een vaste zaakverdeling is opgenomen in de grondwet, voor dat op de wetgever bepaalde waarborgingsverplichtingen rusten, en zo ja, welke?

1b) Aanvullende vragen - indien het antwoord op de eerste vraag bevestigend luidt:

1b- 1) Schrijven artikel 19, lid 1, tweede alinea, EU juncto artikel 47 van het Handvest evenals het doeltreffendheidsbeginsel op zijn minst ten aanzien van een nationale rechtsorde waarin het grondrecht op een vaste zaakverdeling is opgenomen in de grondwet, voor dat een instructie respectievelijk handeling met betrekking tot de toewijzing van een zaak aan een rechter buiten beschouwing moet worden gelaten door een volgens de wet niet tot deze instructie respectievelijk handeling bevoegde instantie?

1b- 2) Schrijven artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU juncto artikel 47 van het Handvest evenals het doeltreffendheidsbeginsel op zijn minst ten aanzien van een nationale rechtsorde waarin het grondrecht op een vaste zaakverdeling is opgenomen in de grondwet, voor dat het binnen een rechterlijke instantie geldende reglement van orde aan een instantie dat verantwoordelijk is voor de toewijzing van gerechtelijke dossiers, slechts een reeds vooraf bepaalde beperkte beoordelingsmarge inzake toewijzing mag toekennen, als er al een beoordelingsmarge bestaat?

2) Moeten artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU juncto artikel 47 van het Handvest evenals het doeltreffendheidsbeginsel op zijn minst ten aanzien van een nationale rechtsorde welke met het oog op het veiligstellen van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechterlijke instanties in haar grondwet een grondrecht heeft opgenomen op de rechterlijke toewijzing van zaken volgens een vooraf volgens algemene regels bepaalde vaste zaakverdeling, aldus worden uitgelegd dat een rechter die bezwaren heeft tegen l) de rechtmatigheid van een binnen een rechterlijke instantie geldende regels inzake zaakverdeling respectievelijk 2) de rechtmatigheid van een interne beslissing (inzonderheid een beslissing over de toewijzing van zaken) die de binnen een rechterlijke instantie geldende regels inzake zaakverdeling ten uitvoer legt en die het werk van deze rechter rechtstreeks raakt, gelet op deze bezwaren een (deze rechter vooral niet financieel belastende) rechtsmiddel kan instellen bij een andere rechter die beschikt over de volledige bevoegdheid tot toetsing van de rechtmatigheid van de als onrechtmatig aangemerkte handeling? Zo nee: Zijn er andere door de wetgever te waarborgen regels die veiligstellen dat een rechter over de mogelijkheid beschikt om af te dwingen dat op rechtmatige wijze wordt voldaan aan de hem betreffende wettelijke bepalingen inzake de naleving van de wettelijke (met name binnen een rechterlijke instantie geldende) voorschriften betreffende de toewijzing van zaken?

3) Moeten artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU juncto artikel 47 van het Handvest evenals het doeltreffendheidsbeginsel op zijn minst ten aanzien van een nationale rechtsorde welke met het oog op het veiligstellen van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechterlijke instanties in haar grondwet een grondrecht heeft opgenomen op de rechterlijke toewijzing van zaken volgens een vooraf volgens algemene regels bepaalde vaste zaakverdeling, aldus worden uitgelegd dat een partij in een gerechtelijke procedure die bezwaren heeft tegen 1) de rechtmatigheid van een voor de beslechting van haar zaak nadelige bepaling van de binnen een rechterlijke instantie geldende regels inzake de zaakverdeling respectievelijk 2) de rechtmatigheid van de toewijzing van deze procedure aan een bepaalde rechter, reeds voorafgaand aan de rechterlijke beslissing gelet op deze bezwaren een (deze partij financieel niet bovenmatig belastend) rechtsmiddel moet kunnen instellen bij een andere rechter die beschikt over de volledige bevoegdheid tot toetsing van de rechtmatigheid van de als onrechtmatig aangemerkte handeling? Zo nee: Zijn er andere door de wetgever te waarborgen regels die veiligstellen dat een partij reeds voorafgaand aan de rechterlijke beslissing over de mogelijkheid beschikt om af te dwingen dat haar grondrecht dat de „bij wet aangewezen rechter” met haar zaak wordt belast, op rechtmatige wijze wordt geëerbiedigd?

4) Moeten artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU juncto artikel 47 van het Handvest evenals het doeltreffendheidsbeginsel op zijn minst ten aanzien van een nationale rechtsorde welke met het oog op het veiligstellen van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechterlijke instanties in haar grondwet een grondrecht heeft opgenomen op de rechterlijke toewijzing van zaken volgens een vooraf volgens algemene regels bepaalde vaste zaakverdeling, aldus worden uitgelegd dat de interne zaakverdeling en de interne registratie van indiening van zaken dermate transparant en begrijpelijk zijn dat de rechter respectievelijk een partij zonder veel kosten of moeite de mogelijkheid heeft te onderzoeken of de concrete toewijzing van de zaak aan een rechter respectievelijk een bepaalde kamer overeenstemt met de bepalingen van de binnen een rechterlijke instantie geldende regels inzake de zaakverdeling? Zo nee: Zijn er andere door de wetgever te waarborgen regels die veiligstellen dat een rechter respectievelijk een partij over de mogelijkheid beschikt om zich ervan te vergewissen dat een bepaalde zaak op rechtmatige wijze is toegewezen?

5) Moeten artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU juncto artikel 47 van het Handvest evenals het doeltreffendheidsbeginsel op zijn minst ten aanzien van een nationale rechtsorde welke met het oog op het veiligstellen van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechterlijke instanties in haar grondwet een grondrecht heeft opgenomen op de rechterlijke toewijzing van zaken volgens een vooraf volgens algemene regels bepaalde vaste zaakverdeling, aldus worden uitgelegd dat de partijen en de rechter in een gerechtelijke procedure zonder eigen toedoen over de mogelijkheid moeten beschikken de regels inzake de zaakverdeling inhoudelijk te begrijpen, alsmede dat de partijen en de rechter zodoende de rechtmatigheid van de toewijzing van de zaak aan een rechter respectievelijk een bepaalde kamer moeten kunnen toetsen? Zo nee: Zijn er andere door de wetgever te waarborgen regels die veiligstellen dat een rechter respectievelijk een partij over de mogelijkheid beschikt om zich ervan te vergewissen dat een bepaalde zaak op rechtmatige wijze is toegewezen?

6) Tot welke handelingen is een rechter gezien zijn Unierechtelijke verplichting tot naleving van de Unierechtelijke procedurele regels verplicht, als hij op grond van een (buitengerechtelijke of gerechtelijke) handeling waartegen hij niet kan opkomen, wordt verplicht om te handelen in strijd met het Unierecht en met de rechten van partijen?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: JenV