C-264/19 Constantin Film Verleih

Prejudiciële hofzaak


Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 27 mei 2019
Schriftelijke opmerkingen: 13 juli 2019

Trefwoorden : intellectuele eigendom; exclusieve gebruiksrechten; internetplatform

Onderwerp :

- Richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten;

 

Feiten:

Verzoekster is een Duitse onderneming die stelt houdster te zijn van de exclusieve gebruiksrechten van twee films. Eerste verweerster (Youtube) exploiteert het internetplatform waarop videobestanden kunnen worden geüpload en toegankelijk gemaakt voor andere internetgebruikers. Tweede verweerster (Google) is de moedermaatschappij van Youtube en eigenares van het voor het internetplatform gebruikte domein. Om videobestanden op Youtube te kunnen uploaden, moeten de gebruikers zich eerst met een “Google-gebruikersaccount” registreren en daarbij een naam, e-mailadres en geboortedatum opgeven. Gebruikers die video’s van langer dan 15 minuten willen publiceren, moeten ook een mobiel telefoonnummer opgeven, waarnaar een voor de publicatie vereiste verificatiecode wordt gestuurd. De gebruikers van het platform stemmen in met het bewaren van serverlogs, inclusief IP-adres, de datum en het tijdstip van het gebruik en van de afzonderlijke aanvragen, en met het gebruik van de gegevens door de verweersters. De eerste film werd op 29.06.2013 in volledige lengte in het Duits onder de gebruikersnaam N1 geüpload op Youtube, en meer dan 45.000 keer bekeken (tot het werd geblokkeerd). In september 2013 werd de andere film onder de gebruikersnaam N2 in volledige lengte geüpload en meer dan 6.000 keer bekeken. Bovendien werd in september 2014 onder de gebruikersnaam N3 opnieuw een kopie van deze film geüpload die meer dan 4.700 keer werd bekeken. Verzoekster eist dat verweersters ertoe worden veroordeeld haar informatie over de gebruikers N1, N2 en N3 te verstrekken in de vorm van de door verweersters opgeslagen gegevens. Het gaat om a) het emailadres van de gebruiker, b) het telefoonnummer van de gebruiker, c) het IP-adres dat de gebruiker voor het uploaden van het bestand heeft gebruikt en het uploadtijdstip, d) het IP-adres dat door de gebruiker het laatst is gebruikt om toegang te krijgen tot zijn Google-/Youtube account en het tijdstip van toegang. De rechter in eerste aanleg heeft het beroep verworpen. Het hoger beroep is toegewezen voor zover verweersters gelast werd de emailadressen mee te delen. Tegen die uitspraak is beroep in Revision ingesteld.

 

Overweging:

De verwijzende rechter twijfelt of de verzochte informatie valt onder het begrip “de naam en het adres” in de zin van artikel 8(2)a) van de richtlijn? Enerzijds zouden deze gegevens het enige doeltreffende middel voor de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten kunnen vormen, anderzijds zijn IP-adressen persoonsgegevens.

 

Prejudiciële vragen:

1. Omvatten de adressen van de producenten, fabrikanten, distributeurs, leveranciers en andere eerdere bezitters van de goederen of diensten, alsmede van de beoogde groot- en kleinhandelaren, zoals bedoeld in artikel 8, lid 2, onder a), van richtlijn 2004/48/EG, die behoren tot de informatie die uit hoofde van artikel 8, lid 1, ervan, naar gelang passend, dient te worden verstrekt, ook

a) de e-mailadressen van de gebruikers van de diensten en/of

b) de telefoonnummers van de gebruikers van de diensten en/of

c) de door de gebruikers van de diensten voor het uploaden van de inbreukmakende bestanden benutte IP-adressen met inbegrip van het precieze tijdstip van het uploaden?

2. Indien de eerste vraag, onder c), bevestigend wordt beantwoord: Behoort tot de volgens artikel 8, lid 2, onder a), van richtlijn 2004/48/EG te verstrekken informatie ook het IP-adres dat door de gebruiker, die eerder inbreukmakende bestanden heeft geüpload, het laatst werd benut om toegang te krijgen tot zijn Google-/YouTube-gebruikersaccount, met inbegrip van het precieze tijdstip van toegang, ongeacht de vraag of bij die laatste toegang inbreuken zijn gepleegd?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-582/14; C-293/12; C-594/12; C-149/17.

Specifiek beleidsterrein: EZK; OCW