C-265/19 Recorded Artists Actors Performers

Prejudiciële hofzaak


Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 27 mei 2019
Schriftelijke opmerkingen: 13 juli 2019

Trefwoorden : licentievergoedingen muziek; betrokken uitvoerende kunstenaars; voorbehoud

Onderwerp :

- Richtlijn 2006/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom;

- Verdrag van de Wereldorganisatie voor de intellectuele eigendom inzake uitvoeringen en fonogrammen van 1996 (WPPT-verdrag);

Feiten:

Het geschil in het hoofdgeding betreft de inning en verdeling van de licentievergoedingen die moeten worden betaald voor het ten gehore brengen van opgenomen muziek in het openbaar of het uitzenden van opgenomen muziek. Volgens de nationale wetgeving moet de eigenaar van een bar, een nachtclub of een andere openbare gelegenheid die opgenomen muziek ten gehore wil brengen een licentievergoeding betalen met betrekking tot deze muziek. Ook wanneer iemand een geluidsopname wil opnemen in een uitzend- of een kabelprogrammadienst moet hiervoor een licentievergoeding worden betaald. Deze wet bepaalt dat de gebruiker één licentievergoeding betaalt aan een licentieverlenende instantie die de producent van de geluidsopname vertegenwoordigt, maar dat het aldus geïnde bedrag dan wordt verdeeld tussen de producent en de uitvoerende kunstenaars. Verzoekster vertegenwoordigt bepaalde uitvoerende kunstenaars. Eerstgenoemde van de verweerders vertegenwoordigt bepaalde producenten en bij de als tweede, derde en vierde genoemde verweerder gaat het om respectievelijk de minister voor Ondernemingen en Innovatie, de Ierse Staat en de procureur-generaal van Ierland. Verzoekster en de eerstgenoemde van de verweerders verschillen van mening over de uitlegging en toepassing van de contractuele overeenkomst die tussen hen is gesloten. Het Ierse recht hanteert voor producenten respectievelijk uitvoerende kunstenaars verschillende kwalificatiecriteria. Een producent komt, als auteursrechthebbende, in aanmerking voor een billijke vergoeding wanneer de geluidsopname voor het eerst op geoorloofde wijze ter beschikking wordt gesteld van het publiek in Ierland of in een land van de Europese Economische Ruimte. Een producent kan ook gebruik maken van de zogenoemde dertigdagenregel. Een uitvoerende kunstenaar heeft daarentegen geen recht op een billijke vergoeding, tenzij hij i) Iers onderdaan is of zijn woon- of verblijfplaats in Ierland heeft, of ii) in een EER-land zijn woon- of verblijfplaats heeft.

 

Overweging:

Het is de verwijzende rechter onduidelijk in welke omvang gebruik kan worden gemaakt van het WPPT en het Verdrag van Rome om de richtlijn uit te leggen. Daarnaast wenst de verwijzende rechter te vernemen of het verenigbaar is met het Unierecht om bepaalde uitvoerende kunstenaars uit te sluiten van een billijke vergoeding wanneer de producent van de betrokken geluidsopname wel wordt betaald. Ten slotte vraagt de verwijzende rechter of de Ierse reactie op een voorbehoud bij het WPPT gerechtvaardigd is.

 

Prejudiciële vragen:

1. Is de verplichting van een nationale rechter om richtlijn 2006/115 betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom uit te leggen in het licht van het doel van het Verdrag van Rome en/of het WPPT beperkt tot begrippen waarnaar in die richtlijn uitdrukkelijk wordt verwezen of strekt zij zich tevens uit tot begrippen die alleen in de twee internationale overeenkomsten te vinden zijn? In hoeverre moet, in het bijzonder, artikel 8 van richtlijn 2006/115 worden uitgelegd in het licht van het vereiste van „nationale behandeling” krachtens artikel 4 WPPT?

2. Heeft een lidstaat discretionaire bevoegdheid tot vaststelling van criteria om te bepalen welke uitvoerende kunstenaars als „betrokken uitvoerende kunstenaars” in de zin van artikel 8 van richtlijn 2006/115 kunnen worden beschouwd? Kan, in het bijzonder, een lidstaat het recht op een aandeel in een billijke vergoeding beperken tot omstandigheden waarin ofwel i) de uitvoering plaatsvindt in een land van de Europese Economische Ruimte, ofwel ii) de uitvoerende kunstenaars wonen of verblijven in een land van de Europese Economische Ruimte?

3. Welke beoordelingsmarge heeft een lidstaat bij zijn reactie op een voorbehoud dat door een andere verdragsluitende partij is gemaakt krachtens artikel 15, lid 3, WPPT? Geldt voor de lidstaat met name de eis om de voorwaarden van het door de andere verdragsluitende partij gemaakte voorbehoud nauwkeurig te weerspiegelen? Is een verdragsluitende partij verplicht om de dertigdagenregel van artikel 5 van het Verdrag van Rome buiten toepassing te laten wanneer die regel ertoe kan leiden dat wel een producent van de voorbehoud makende partij een vergoeding krachtens artikel 15, lid 1, ontvangt maar niet de kunstenaars die dezelfde opname uitvoeren? Is, subsidiair, de reagerende partij gerechtigd de onderdanen van de voorbehoud makende partij gunstiger rechten te verlenen dan de voorbehoud makende partij heeft gedaan, dat wil zeggen kan de reagerende partij rechten verlenen die niet op gelijke wijze door de voorbehoud makende partij worden verleend?

4. Is het onder alle omstandigheden toegestaan om het recht op een billijke vergoeding te beperken tot de producenten van een geluidsopname, dat wil zeggen om dit recht te ontzeggen aan de uitvoerende kunstenaars van wie de uitvoeringen in die geluidsopname zijn vastgelegd?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: SENA, C-245/00; SCF, C-135/10; SGAE, C-306/05

Specifiek beleidsterrein: EZK; OCW