C-28/19 Ryanair

C-28/19 Ryanair

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

 

Termijnen: Motivering departement: 22 maart 2019
Schriftelijke opmerkingen: 8 mei 2019

Trefwoorden : oneerlijke handelspraktijken; luchtvaart

Onderwerp :

- Verordening (EG) nr. 1008/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 24 september 2008 inzake gemeenschappelijke regels voor de exploitatie van luchtdiensten in de Gemeenschap;

 

Feiten:

Bij besluit van 15.06.2011 heeft de Italiaanse mededingingsautoriteit (hierna: Autoriteit) Ryanair beschuldigd van oneerlijke, misleidende en agressieve handelspraktijken. De handelspraktijken betreffen a) mogelijk misleidende reclameboodschappen, b) oneerlijke presentatie van prijzen waarbij bepaalde bestanddelen van de kostprijs als facultatief werden aangemerkt terwijl deze kosten verplicht waren, c) verstrekking van inadequate informatie over de manier waarop rechten konden worden uitgeoefend, d) verstrekking van mededelingen en algemene reisvoorwaarden in het Engels aan Italiaanse consumenten, en e) het vragen van een hoger bedrag voor wijzigingen van vluchten dan op de website aangegeven. Aangezien er volgens de Autoriteit in casu sprake is van oneerlijke en misleidende handelspraktijken, heeft zij de voortzetting daarvan verboden en, gezien de ernst en de duur van de inbreuken, meerdere administratieve boeten opgelegd (totaal €502.500,-). Ryanair heeft tegen het besluit van de Autoriteit beroep tot nietigverklaring ingesteld. Bij vonnis van 12.04.2012 heeft de bestuursrechter in eerste aanleg het beroep van Ryanair verworpen en de inbreuken a), b) en d) met de bijbehorende boeten bevestigd. De rechter heeft het beroep gedeeltelijk toegewezen, wat de praktijken onder c) en e) betreft. Met het eerste hoger beroep heeft Ryanair het vonnis aangevochten voor zover de bestuursrechter haar oorspronkelijke beroep had verworpen. Subsidiair heeft zij verzocht om de zaak naar het Hof te verwijzen met het oog op de uitlegging van de term “facultatief” in artikel 23 van verordening 1008/2008. Met het tweede hoger beroep heeft de Autoriteit hetzelfde vonnis aangevochten voor zover de bestuursrechter het oorspronkelijke beroep van Ryanair had toegewezen wat de oneerlijke handelspraktijken betreft. Ryanair heeft van haar kant incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de passages van het vonnis waarbij de bestuursrechter haar beroep had verworpen en het besluit van de Autoriteit had bevestigd. De verwijzende rechter heeft besloten om deze hogere beroepen te voegen, aangezien zij tegen hetzelfde vonnis zijn ingesteld.

 

Overweging:

In de onderhavige zaak is het van doorslaggevend belang of de litigieuze kosten worden gekwalificeerd overeenkomstig de betrokken Unieregeling. In dit verband zijn enerzijds de kosten voor online inchecken en de btw door de Autoriteit en in het bestreden vonnis gekwalificeerd als niet-facultatieve kosten; anderzijds vormt het derde element, de “administratiekosten” voor aankopen met een creditcard, een toeslag die automatisch aan de totale prijs wordt toegevoegd wanneer de passagier aan het einde van de procedure een ander betaalmiddel kiest dan de specifieke prepaid creditcard waar de luchtvaartmaatschappij de voorkeur aan geeft.

 

Prejudiciële vragen:

Moet artikel 23, lid 1, tweede volzin, van verordening (EG) nr. 1008/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 24 september 2008 inzake gemeenschappelijke regels voor de exploitatie van luchtdiensten in de Gemeenschap aldus worden uitgelegd dat de kosten voor online inchecken en de „administratiekosten” voor aankopen met een creditcard, die bovenop de prijs van de tickets komen, alsook de btw die over de tarieven en de facultatieve toeslagen voor nationale vluchten wordt geheven, vallen onder de categorie onvermijdbare, voorzienbare dan wel facultatieve prijstoeslagen?

Moet artikel 23, lid 1, vierde volzin, van verordening nr. 1008/2008 aldus worden uitgelegd dat met de term „facultatief” wordt bedoeld dat deze kosten door de meeste consumenten kunnen worden vermeden?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Ving Sverige C-122/10; Vueling Airlines C-487/12; Air Berlin C-573/13; C-290/16.

Specifiek beleidsterrein: ​​​​​​​