C-28/20 Airhelp

C-28/20 Airhelp

Prejudiciële hofzaak    

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     11 maart 2020
Schriftelijke opmerkingen:                      26 april 2020

Trefwoorden : compensatie luchtreizigers, staking, piloten

Onderwerp :

Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91

 

Feiten:

Reiziger X boekte een vlucht met SAS van Malmö naar Stockholm. De vlucht zou op 29-04-2019 plaatsvinden, maar werd op dezelfde dag geannuleerd als gevolg van een staking onder SAS-piloten in Noorwegen, Zweden en Denemarken die was begonnen op 26-04-2019 en duurde tot en met 02-05-2019. De achtergrond van de pilotenstaking was dat de werknemersorganisaties in Zweden, Noorwegen en Denemarken die SAS-piloten vertegenwoordigden een eerdere collectieve overeenkomst met SAS voortijdig hadden opgezegd. Deze overeenkomst zou anders hebben geduurd tot en met 2020. Reiziger SS werd geen mogelijkheid tot omboeking geboden die ertoe zou hebben geleid dat de vertraging minder dan drie uur was geweest. Krachtens een tussen partijen gesloten overeenkomst heeft Airhelp de vordering van reiziger X tot compensatie in verband met bovengenoemde vlucht overgenomen. Airhelp stelt dat reiziger X minder dan zeven dagen voor de geplande vertrektijd was geïnformeerd over de annulering en hem geen andere vlucht naar zijn bestemming is aangeboden die niet eerder dan één uur voor de geplande vertrektijd zou vertrekken en hem minder dan twee uur later dan de geplande aankomsttijd op de eindbestemming zou brengen, waardoor hij recht heeft op compensatie. SAS voert aan dat de pilotenstaking een buitengewone omstandigheid was die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet kon worden voorkomen.

 

Overweging:

De verwijzende rechter geeft aan dat verordening nr. 261/2004 geen definitie bevat van het begrip „buitengewone omstandigheden”. De hoofdvraag in deze zaak is hoe het begrip „buitengewone omstandigheden” in de zin van artikel 5, lid 3, van de verordening moet worden uitgelegd wanneer er sprake is van een staking die is aangekondigd en wettig is begonnen door de werknemersorganisaties. Deze vraag is nog niet eerder beoordeeld door het Hof. De partijen in de zaak zijn het  erover eens dat SAS een compensatieverplichting heeft als de pilotenstaking geen buitengewone omstandigheid vormt. Indien de pilotenstaking daarentegen wel een buitengewone omstandigheid vormt, zijn de partijen het erover eens dat SAS geen compensatieverplichting heeft. De geschilpunten in deze zaak zijn dus te herleiden tot de uitlegging van de regels van het Unierecht en de uitlegging daarvan is noodzakelijk voor de beslechting van het geschil.

 

Prejudiciële vragen:

a) Vormt een staking bij piloten die in dienst zijn bij een luchtvaartmaatschappij en die nodig zijn voor de uitvoering van een vlucht een „buitengewone omstandigheid” in de zin van artikel 5, lid 3, van verordening nr. 261/2004 wanneer de staking niet wordt gehouden als gevolg van een maatregel [Or. 4] die is vastgesteld of meegedeeld door de luchtvaartmaatschappij, maar is aangekondigd en in overeenstemming met het nationale recht is georganiseerd door werknemersorganisaties als collectieve actie met als doel de luchtvaartmaatschappij ertoe te brengen de lonen te verhogen, voorzieningen te bieden of de arbeidsvoorwaarden te verbeteren om te voldoen aan de eisen van de werknemersorganisaties?

b) Moet er belang worden gehecht, en zo ja in hoeverre, aan de redelijkheid van de eisen van de werknemersorganisaties en, met name, aan het feit dat de geëiste loonsverhogingen aanzienlijk hoger zijn dan de loonsverhogingen die over het algemeen worden toegepast op de betreffende nationale arbeidsmarkten?

c) Moet er belang worden gehecht, en zo ja in hoeverre, aan de omstandigheid dat de luchtvaartmaatschappij, teneinde een staking te voorkomen, instemt met een voorstel voor een minnelijke schikking van een nationale instantie die belast is met de bemiddeling bij arbeidsgeschillen, terwijl de werknemersorganisaties dat niet doen?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: (C-195/17, C-197/17-C-203/17, C-226/17, C-228/17, C-254/17, C-274/17, C-275/17, C-278/17-C-286/17 en C-290/17-C-292/17), (C-402/07 en C-432/07), (C-549/07), (C-294/10), (C-257/14), (C-315/15), (C-22/11)

Specifiek beleidsterrein: IenW