C-286/19 XL Airways

Prejudiciële hofzaak


Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 10 juni 2019
Schriftelijke opmerkingen: 27 juli 2019

Trefwoorden : compensatie luchtreizigers;

Onderwerp :

- Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: verordening);

 

Feiten:

Verzoekers JE en KF hebben verweerster (vennootschap XL AIRWAYS) gedagvaard tot betaling van €600,- ieder als compensatie voor de annulering van een vlucht. Daarnaast vorderen verzoekers ieder €400,- schadevergoeding wegens misbruik van het recht van verweer door de luchtvaartmaatschappij, evenals een bedrag van €500,- krachtens artikel 700 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering. Verzoekers hadden twee vliegtuigtickets gekocht voor een vlucht van Punta Cana (Dominicaanse Republiek) naar Parijs, waarbij zij met een vervangende vlucht hun eindbestemming ruim 14 uur later dan gepland hebben bereikt. Daarop hebben verzoekers verweerster een brief gestuurd met het verzoek om betaling van de in de verordening genoemde forfaitaire compensatie van €600,- per passagier bij annulering van een vlucht van meer dan 3.500 kilometer. Aangezien de luchtvaartmaatschappij geen gevolg gaf aan dat verzoek, hebben verzoekers een verzoekschrift ingediend om het geschil te laten beslechten overeenkomstig het toepasselijke recht. Bij de behandeling van de zaak hebben verzoekers verzocht om schorsing van de behandeling voor het stellen van de prejudiciële vragen. Volgens verzoekers is er behoefte aan uitlegging van artikel 3(2) van de verordening. Bij vertraging van een vlucht moet de passagier kunnen aantonen uiterlijk 45 minuten voor de geplande vertrektijd te zijn ingecheckt. Deze voorwaarde geldt niet voor passagiers bij de annulering van een vlucht. Verweerster stelt dat het litigieuze incident een vertraging van de vlucht in de zin van de Europese rechtspraak was en verzet zich tegen het verzoek om schorsing, aangezien de kwestie al zou zijn beslecht door volkomen duidelijke rechtspraak van de Cour de cassation. Verder concludeert verweerster tot afwijzing van de vorderingen omdat het hier zou gaan om een vertraging van de vlucht en verzoekers geen bewijsstukken hebben overgelegd dat zij zich bij de incheckbalie hebben gemeld.

 

Overweging:

De door verzoekers opgeworpen vragen hernemen weliswaar in essentie de problematiek van de prejudiciële vraag die op 3 december 2018 in een gelijkaardige zaak aan het Hof is voorgelegd, maar breiden de reikwijdte ervan op basis van verschillende juridische aspecten uit, zodat zij een vollediger onderzoek van de thans omstreden kwestie mogelijk lijken te maken. Aangezien bij de verwijzende rechter 2.700 dossiers betreffende luchtvaartgeschillen aanhangig zijn gemaakt in 2017 en meer dan 5.000 dossiers in 2018, is voor een goede rechtsbedeling een definitieve verduidelijking nodig over de toepassingsvoorwaarden van artikel 3(2)a) zodat de beslissingen van de rechters die deze geschillen, meestal in laatste instantie, moeten beslechten in het belang van de passagiers zelf kunnen worden geharmoniseerd.

 

Prejudiciële vragen:

1) Betreffende de toepasselijkheid van de twee onderdelen van artikel 3, lid 2, onder a), in geval van vertraging van de vlucht:

a) Is de in artikel 3, lid 2, onder a), van verordening (EG) nr. 261/2004 van 11 februari 2004 vermelde tekstuele voorwaarde dat de passagier zich aan de incheckbalie dient te melden, die uitsluitend toepasselijk is bij instapweigering, gelet op het feit dat het recht op compensatie bij instapweigering of annulering zoals bedoeld in artikel 7 van verordening (EG) nr. 261/2004 van 11 februari 2004 door de rechtspraak (arrest van 19 november 2009, Sturgeon e.a., C-402/07 en C-432/07, EU:C:2009:716) is uitgebreid tot de vertraging van vluchten, van toepassing in het kader van een compensatie die wordt gevorderd door een passagier die slachtoffer is van de vertraging van een vlucht en niet van instapweigering?

b) Indien vraag 1) a) bevestigend wordt beantwoord: moet de in artikel 3, lid 2, onder a), van verordening (EG) nr. 261/2004 bedoelde termijn („uiterlijk 45 minuten voor de gepubliceerde vertrektijd”), gelet op de doelstellingen ervan in verband met de kwestie van overboekingen en de veiligheidsdoelstellingen, in dat geval worden uitgelegd als „uiterlijk 45 minuten voor het nieuwe vertrekuur van de vertraagde vlucht zoals gepubliceerd op de informatieborden van de luchthaven of meegedeeld aan de passagiers”?

2) Betreffende de bewijslast van de „melding aan de incheckbalie”: Indien vraag 1) a) bevestigend wordt beantwoord, dat wil zeggen in geval van toepassing van artikel 3, lid 2, onder a) van verordening (EG) nr. 261/2004 van 11 februari 2004 op een compensatie die wordt gevorderd door een passagier die slachtoffer is van de vertraging van een vlucht:

a) Zijn de in artikel 3, lid 2, onder a), neergelegde voorwaarden voorafgaande voorwaarden voor de toepassing van de verordening, waarbij de consument moet bewijzen dat hij eraan voldoet, of zijn zij een grond voor vrijstelling van de luchtvaartmaatschappij op basis waarvan zij de passagierslijst kan overleggen om aan te tonen dat de consument zich niet bij de incheckbalie heeft gemeld „zoals bepaald en op de tijd die van tevoren door de luchtvaartmaatschappij, de touroperator of een erkend reisbureau schriftelijk (waaronder via elektronische weg) is aangegeven, of, indien er geen tijd wordt aangegeven, uiterlijk 45 minuten voor de gepubliceerde vertrektijd”, zoals bedoeld in artikel 3, lid 2, onder a), van verordening (EG) nr. 261/2004 van 11 februari 2004, rekening houdende met de technologische ontwikkelingen die thans de elektronische afgifte van gedematerialiseerde instapkaarten mogelijk maken, de afwezigheid van enige tijdsregistratie van papieren instapkaarten, de daarmee samenhangende afwezigheid van enige verplichting om zich fysiek aan een incheckbalie te melden en het feit dat enkel de luchtvaartmaatschappijen houdster zijn van alle gegevens in verband met de registratie van passagiers tot aan de beëindiging van de registratieverrichtingen?

b) Verzetten het beginsel van nuttig effect, de doelstellingen van verordening (EG) nr. 261/2004 van 11 februari 2004, en het door verordening (EG) nr. 261/2004 van 11 februari 2004 gewaarborgde hoge beschermingsniveau voor passagiers en consumenten in het algemeen, of andere bepalingen of regels van gemeenschapsrecht zich ertegen dat uitsluitend bij de passagier de bewijslast wordt gelegd voor zijn melding aan de incheckbalie „zoals bepaald en op de tijd die van tevoren door de luchtvaartmaatschappij, de touroperator of een erkend reisbureau schriftelijk (waaronder via elektronische weg) is aangegeven, of, indien er geen tijd wordt aangegeven, uiterlijk 45 minuten voor de gepubliceerde vertrektijd”, zoals bedoeld in artikel 3, lid 2, onder a), van verordening (EG) nr. 261/2004 van 11 februari 2004, rekening houdende met de technologische ontwikkelingen die thans de elektronische afgifte van gedematerialiseerde instapkaarten mogelijk maken, de afwezigheid van enige tijdsregistratie van papieren instapkaarten, de daarmee samenhangende afwezigheid van enige verplichting om zich fysiek aan een incheckbalie te melden en het feit dat enkel de luchtvaartmaatschappijen houdster zijn van alle gegevens in verband met de registratie van passagiers tot aan de beëindiging van de registratieverrichtingen?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-756/18; C-402/07 en C-432/07

Specifiek beleidsterrein: IenW