C-29/19 Bundesagentur für Arbeit

C-29/19 Bundesagentur für Arbeit

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

 

Termijnen: Motivering departement: 7 maart 2019
Schriftelijke opmerkingen: 21 april 2019

Trefwoorden : sociale zekerheid; berekening uitkeringen

Onderwerp :

- Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (Voor de EER en Zwitserland relevante tekst);

 

Feiten:

Een Duitser (hierna: verzoeker), tevens in Duitsland wonend, heeft jarenlang in Zwitserland gewerkt. In 2014 is hij in Duitsland gaan werken, maar is hij reeds binnen tien dagen ontslagen. Hierop heeft hij een uitkering aangevraagd en toegekend gekregen. Hij is het echter niet eens over de berekening van zijn uitkering. In het geval van verzoeker is zijn laatst genoten loon naar Duits recht niet voor berekening geschikt, omdat de referentieperiode te kort is en het loon niet tijdig is afgerekend. Duits recht bepaalt in dit geval dat de uitkering moet worden berekend op basis van een fictief loon. Verordening nr. 883/2004 (hierna: de Verordening) bepaalt echter (in art. 62) dat de uitkering wel degelijk moet worden berekend aan de hand van het laatst genoten loon, ook als een geschikte referentieperiode ontbreekt.

 

Overweging:

De verwijzende rechter merkt op dat een strikte uitleg van art. 62 van de Verordening de Duitse berekening op basis van een fictief loon uitsluit. Tegelijkertijd ziet de verwijzende rechter aanwijzingen voor een minder strikte interpretatie, namelijk in de jurisprudentie van het Hof, het Werkingsverdrag en andere EU-bepalingen op het gebied van sociale zekerheid. Daaruit leidt de verwijzende rechter af dat art. 62 van de Verordening niet noodzakelijkerwijs de Duitse regelgeving beoogt uit te sluiten. Daarom bestaan bij de verwijzende rechter twijfels over de uitlegging van art. 62 lid 1 en 2 van de Verordening.

 

Prejudiciële vragen:

1. Moet artikel 62, lid 1, van verordening (EG) nr. 883/2004, juncto artikel 62, lid 2, van verordening (EG) nr. 883/2004 aldus worden uitgelegd dat het bevoegde orgaan van de lidstaat van woonplaats bij werkloosheid van een werknemer voor de berekening van de uitkering eveneens moet uitgaan van het „loon” dat betrokkene voor zijn laatste werkzaamheden op het grondgebied van dat orgaan „heeft genoten”, wanneer dat loon krachtens de door het bevoegde orgaan toe te passen nationale wetgeving niet in aanmerking kan worden genomen voor de werkloosheidsuitkering omdat niet is voldaan aan het vereiste beloningstijdvak en in plaats daarvan is voorzien in een fictieve berekening van de uitkering?

2. Moet artikel 62, lid 1, van verordening (EG) nr. 883/2004, juncto artikel 62, lid 2, van verordening (EG) nr. 883/2004 aldus worden uitgelegd dat het bevoegde orgaan van de lidstaat van woonplaats bij werkloosheid van een werknemer, voorde berekening van de uitkering eveneens moet uitgaan van het „loon” dat betrokkene voor zijn laatste werkzaamheden op het grondgebied van dat orgaan „heeft genoten”, wanneer krachtens de door het bevoegde orgaan toe te passen nationale wetgeving dat loon wegens het ontbreken van een tijdige afrekening niet mag dienen als basis voor de berekening van de uitkering in het referentietijdvaken in plaats daarvan is voorzien in een fictieve berekening van de uitkering?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: (C-201/91); (C-372/02); (C-551/16); (C-208/07); (C-443/11); (C-140/12); Commissie/Verenigd Koninkrijk (C-308/14)

Specifiek beleidsterrein: SZW

​​​​​​​