C-291/19 SO

Prejudiciële hofzaak


Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).


Termijnen: Motivering departement: 19 juni 2019
Schriftelijke opmerkingen: 5 augustus 2019

Trefwoorden: rechtsstaat; ambtsmisbruik, corruptie

Onderwerp:

- Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;

- Beschikking 2006/928/EG van de Commissie van 13 december 2006 tot vaststelling van een mechanisme voor samenwerking en toetsing van de vooruitgang in Roemenië ten aanzien van specifieke ijkpunten op het gebied van de hervorming van het justitiële stelsel en de bestrijding van corruptie;

 

Feiten:

Met vier strafklachten heeft SO in december 2015 en februari 2016 aangifte gedaan van ambtsmisbruik door vier magistraat-aanklagers, alsmede over ongeoorloofde beïnvloeding. De genoemde aanklagers zouden in strijd met hun bevoegdheden hebben gehandeld (hetzij door de ongerechtvaardigde weigering om bepaalde zaken in behandeling te nemen, informatie te verschaffen of kopieën van documenten uit een strafvervolgingsdossier ter beschikking te stellen, hetzij door de overschrijding van hun wettelijke bevoegdheden en de vaststelling van onwettige en ongegronde handelingen). Hierna heeft SO ook een strafklacht ingediend tegen twee magistraat-rechters van de Judecătoria Brașov en de Tribunalul Brașov, waarbij zij stelde dat die rechters deel uitmaken van een criminele organisatie die in meerdere zaken jegens haar negatieve vonnissen wijst. Na de zaak te hebben onderzocht, heeft het parket van het nationaal directoraat voor corruptiebestrijding bij beschikking van 08.09.2017 besloten de zaak te seponeren, waarbij het heeft vastgesteld dat de feiten niet onder de bepalingen van het wetboek van strafrecht vallen en dat die niet met de in het wetboek van strafrecht bedoelde schuld zijn begaan, en dat er geen sprake is van oprichting van een criminele organisatie. SO heeft tegen deze beschikking bezwaar ingediend, welk bezwaar bij beschikking van 20.10.2017 ongegrond is verklaard. In deze omstandigheden heeft SO bij de rechterlijke instantie tegen dit seponeringsbesluit een klacht ingediend, dat, nadat deze instantie zich onbevoegd had verklaard, op 11.09.2018 bij de verwijzende rechter is ingeschreven.

 

Overweging:

De verwijzende rechter twijfelt of de afdeling een doeltreffend onderzoek kan verrichten en kan verzekeren dat de zaken binnen een redelijke termijn worden behandeld, waardoor het de vraag is of de onderzochte nationale wetgeving verenigbaar is met de vereisten van artikel 47, tweede alinea, van het Handvest. De verwijzende rechter verwijst naar drie andere verzoeken om een prejudiciële beslissing, in de zaken C-83/19, C-127/19 en C-195/19, waarin vragen zijn gesteld die gedeeltelijk overeenkomen met de vragen in de onderhavige zaak.

 

Prejudiciële vragen:

1. Dient het bij beschikking 2006/928/EG van de Commissie van 13 december 2006 ingestelde mechanisme voor samenwerking en toetsing te worden beschouwd als een handeling van een instelling van de Unie in de zin van artikel 267 VWEU, die ter uitlegging kan worden voorgelegd aan het Hof van Justitie van de Europese Unie?

2. Zijn de vereisten die zijn geformuleerd in de in het kader van dat mechanisme opgestelde verslagen bindend voor Roemenië, in het bijzonder (maar niet uitsluitend) wat betreft de verplichting om wetswijzigingen door te voeren die in overeenstemming zijn met de conclusies van het mechanisme voor samenwerking en toetsing, de aanbevelingen van de Commissie van Venetië en de Groep van Staten tegen Corruptie van de Raad van Europa?

3. Dient artikel 2, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 3, VEU, aldus te worden uitgelegd dat de verplichting voor Roemenië om zich te houden aan de vereisten in de verslagen die worden opgesteld in het kader van het bij beschikking 2006/928/EG van de Commissie van 13 december 2006 ingestelde mechanisme voor samenwerking en toetsing, valt onder de verplichting van de lidstaat om de beginselen van de rechtsstaat te eerbiedigen?

4. Verzet het beginsel van de onafhankelijkheid van de rechters, dat is neergelegd in artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, zoals uitgelegd in de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Grote kamer, arrest van 27 februari 2018, Associação Sindical dos Juízes Portugueses, C-64/16, EU:C:2018:117), zich tegen de oprichting van een afdeling die bij het parket van de Înalta Curte de Casație și Justiție (hoogste rechterlijke instantie, Roemenië) is belast met het onderzoek naar strafbare feiten die zijn gepleegd binnen het gerechtelijk apparaat, gelet op de wijze van benoeming/ontzetting van aanklagers die deel uitmaken van die afdeling, de wijze van uitoefening van de functies binnen de afdeling alsmede de wijze waarop de bevoegdheid wordt vastgesteld, in verband met het geringe aantal werkplekken binnen deze afdeling?

5. Verzet artikel 47 [tweede alinea] van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie betreffende het recht op een eerlijk proces door een behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn zich tegen de oprichting van een afdeling die bij het parket van de Înalta Curte de Casație și Justiție is belast met het onderzoek naar strafbare feiten die zijn gepleegd binnen het gerechtelijk apparaat, gelet op de wijze van uitoefening van de functies binnen de afdeling en de wijze waarop de bevoegdheid wordt vastgesteld, in verband met het geringe aantal functies binnen deze afdeling?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Associação Sindical dos Juízes Portugueses C-64/16; Minister for Justice and Equality C-216/18 PPU; C-258/14;

Specifiek beleidsterrein: JenV; BZK