C-3/19 Asmel

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 5 maart 2019
Schriftelijke opmerkingen: 19 april 2019

Trefwoorden : vrij verkeer van diensten; overheidsopdrachten

Onderwerp :

- VWEU artikel 56;

- Richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten;

 

Feiten:

Het gaat in deze zaak om de activiteit die Asmel s.c.a.r.l. als aankoopcentrale voor lokale overheden heeft verricht. Asmel s.c.a.r.l. is op 23.01.2013 opgericht en bestaat uit Consorzio Asmez, de niet-erkende vereniging Asmel en de gemeente Caggiano. Consorzio Asmez bestaat zelf weer uit meerdere particuliere ondernemingen waarbij een akkoord is gesloten met de nationale vereniging van Italiaanse gemeenten (A.N.C.I.). De vereniging Asmel is daarentegen opgericht door de ondernemingsconsortia met beperkte aansprakelijkheid Asmenet Campania en Asmenet Calabria, door Consorzio Asmez en de nationale vereniging van kleine Italiaanse gemeenten (A.N.P.C.I.).

Na meerdere klachten heeft de nationale dienst voor corruptiebestrijding (A.N.A.C.) een onderzoek ingesteld naar Asmel s.c.a.r.l. Aansluitend heeft zij bij besluit nr. 32 vastgesteld dat Asmel en Consorzio Asmez de organisatiemodellen voor aankoopcentrales als vermeld in artikel 33(3)bis) van decreto legislativo nr. 163/2006 niet in acht hebben genomen. De A.N.A.C. heeft de mogelijkheid uitgesloten om ASMEL s.c.a.r.l. aan te merken als een publiekrechtelijke instelling, heeft deze entiteit verboden om te bemiddelen bij overheidsaankopen en heeft de door haar uitgeschreven aanbestedingen nietig verklaard. Asmel heeft hiertegen beroep ingesteld, welke is verworpen door de bestuursrechter in eerste aanleg (hierna: T.A.R. Lazio). Asmel s.c.a.r.l. heeft hoger beroep ingesteld. Asmel s.c.a.r.l. voert aan dat in het vonnis ten onrechte is geoordeeld dat de “consortiumovereenkomst tussen de gemeenten” niet een privaatrechtelijke overeenkomst tot oprichting van een consortium volgens het gemene recht kan zijn. Verder betoogt Asmel s.c.a.r.l. dat noch de originele tekst van artikel 33(3)bis), noch de meest recente versie daarvan enige territoriale beperking aan het werkterrein stelt.

 

Overweging:

De verwijzende rechter heeft twijfels over drie beperkingen die door de nationale bepalingen worden opgelegd: i) artikel 33(3)bis) bevat voor kleine gemeenten een afwijkende regeling, die erin resulteert dat de organisatiemodellen voor de aankoopcentrale waaraan de verwerving van leveringen en diensten wordt toevertrouwd, worden beperkt; ii) de definitie van “aanbestedende dienst” refereert aan een publiekrechtelijke vorm van samenwerking tussen gemeenten, dat deelneming van particulieren uitsluit; en iii) het nationale recht gaat uit van een verband tussen het grondgebied van de gemeenten die gebruikmaken van een aankoopcentrale en het werkterrein van die aankoopcentrale. De verwijzende rechter betwijfelt of het rechtskader (artikel 33(3)bis) van decreto legislativo nr. 163/2006, gelezen in samenhang met artikel 3(25)) verenigbaar is met het in artikel 56 VWEU verankerde verbod op de beperking van het vrij verrichten van diensten binnen de Europese Unie, en met het Unierecht inzake openbare aanbestedingen, wat de aanbesteding van diensten betreft.

 

Prejudiciële vragen:

1. Staat het Unierecht in de weg aan een nationale regeling zoals die van artikel 33, lid 3-bis, van decreto legislativo nr. 163 van 12 april 2006, dat de keuzemogelijkheid van gemeenten bij het gebruik van een aankoopcentrale beperkt tot slechts twee organisatiemodellen, te weten een reeds bestaande vereniging van gemeenten of een op te richten consortium van gemeenten?

2. Hoe het ook zij, staat het Unierecht, inzonderheid de beginselen van vrij verkeer van diensten en maximale openstelling voor mededinging in het kader van openbare aanbestedingen van diensten, in de weg aan een nationale regeling zoals die van artikel 33, lid 3-bis, van decreto legislativo nr. 163 van 12 april 2006, dat, gelezen in samenhang met artikel 3, lid 25, van datzelfde decreto legislativo, ten aanzien van het organisatiemodel van consortia van gemeenten bepaalt dat deze geen privaatrechtelijke rechtsvorm mogen hebben, zoals een consortium naar gemeen recht waaraan ook particulieren deelnemen?

3. Tot slot, staat het Unierecht, inzonderheid de beginselen van vrij verkeer van diensten en maximale openstelling voor mededinging in het kader van openbare aanbestedingen van diensten, in de weg aan een nationale regeling zoals die van artikel 33, lid 3-bis, dat, indien het aldus wordt uitgelegd dat consortia van gemeenten die als aankoopcentrale fungeren een werkterrein hebben dat overeenkomt met het grondgebied van de daarbij aangesloten gemeenten, als één geheel beschouwd – en dat dus ten hoogste het grondgebied van een provincie beslaat –, het werkterrein van deze aankoopcentrales beperkt?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-327/12; C-108/10; C-41/90; C-475/99.

Specifiek beleidsterrein: BZK; EZK

​​​​​​​