C-303/19 Istituto Nazionale della Previdenza Sociale

Prejudiciële hofzaak


Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 21 juni 2019
Schriftelijke opmerkingen: 7 augustus 2019

Trefwoorden : Sociale zekerheid, uitkeringen, langdurigingezeten

Onderwerp :

- Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen;

 

Feiten:

VR (verweerder tot cassatie) is Pakistaans staatsburger die in Italië werkt. De gezinsleden van VR waren van 01.9.2011 tot 01.04.2014 terug in Pakistan. De INPS (verzoekster tot cassatie) heeft VR de gezinsuitkering voor dit tijdvak geweigerd, omdat zijn gezin niet in aanmerking wordt genomen omdat zij niet meer in Italië wonen. In eerste en tweede aanleg heeft de rechter geoordeeld dat het wetsartikel dat deze weigeringsmogelijkheid vastlegt in strijd is met artikel 11 van richtlijn 2003/109 en het discriminatie op grond van nationaliteit vormt, en INPS veroordeeld tot uitkering van de ingehouden bedragen aan VR. INPS heeft hiertegen cassatie ingesteld, omdat zij van mening is dat de gezinsuitkering naar haar aard geen bijstand is en niet fundamenteel is.

 

Overweging:

Met de verwijzing wil het Italiaanse Cassatiehof uitsluitsel krijgen of het mogelijk is dat de gezinsleden van de vreemdeling wel, en die van de nationale onderdaan niet van het kerngezin worden uitgesloten wanneer zij feitelijk niet langer in Italië wonen en niet is voldaan aan de voorwaarden voor wederkerigheid met hun land van herkomst. Deze vraag is volgens de verwijzende rechter nog niet eerder gesteld, omdat het Hof zich tot dusver uitsluitend uit heeft gelaten over situaties waarbij de rechthebbende met zijn gehele gezin vaste woonplaats heeft in de lidstaat of naar een andere lidstaat is verhuisd (en dus niet de situatie waarbij de rechthebbende van zijn gezinsleden gescheiden is).

 

Prejudiciële vraag:

Moeten artikel 11, lid 1, onder d), van richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 en het beginsel van gelijke behandeling van lang ingezetenen en nationale onderdanen, aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale wettelijke regeling op grond waarvan de familieleden van de werknemer die lang ingezeten onderdaan van een derde land is, zijn uitgesloten van de kring van familieleden van het kerngezin die in aanmerking worden genomen voor de berekening van de gezinsuitkering, indien zij hun woonplaats in het land van herkomst hebben, terwijl deze regel niet geldt voor onderdanen van de lidstaat?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Commissie/Nederland, C-508/10; C-571/10.

Specifiek beleidsterrein: SZW, JenV-dmb; VWS