C-307/19

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 25 juli 2019
Schriftelijke opmerkingen: 11 september 2019

Trefwoorden : notariële bevoegdheid, rechtspleging, bevoegdheid rechter

Onderwerp :

- verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II)

- Verordening (EG) nr. 1393/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken („de betekening en de kennisgeving van stukken”), en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 517/2013 van de Raad van 13 mei 2013

- verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I)

- verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 542/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 (PB 2014, L 163, blz. 1) en gedelegeerde verordening (EU) 2015/281 van de Commissie van 26 november 2014

 

Feiten:

Op 30.06.2012 heeft verweerster een personenwagen geparkeerd, zonder parkeerticket. Verzoekster heeft het dagtarief in rekening gebracht, dat niet is betaald, en daarna heeft op 20.02.2017 verzoekster bij een notaris een procedure van gedwongen tenuitvoerlegging ingesteld o.b.v. een bewijskrachtig document, welke op 08.03.2017 is uitgevoerd door de notaris d.m.v. een dwangbevel tot betaling van 84 HRK (dagtarief) plus 1235 HRK (procedurekosten) plus 506,25 HRK (nog te verwachten procedurekosten). Verweerster tekent verzet aan bij de notaris, waarop de zaak aanhangig wordt gemaakt bij de bevoegde handelsrechter. Deze rechter heeft de tenuitvoerlegging door de notaris vernietigd, waarna de procedure is voortgezet als een civiele procedure die ziet op het verzet tegen een betalingsbevel, waarvoor twee handelsrechters zich onbevoegd hebben verklaard en doorverwezen hebben naar de verwijzende rechter, de hoogste handelsrechter in Kroatië.

 

Overweging:

Middels de eerste vraag wordt gevraagd of notarissen bevoegd zijn om de betekening of kennisgeving van een stuk uit te voeren krachtens verordening 1393/2007 wanneer zij hun besluiten betekenen in zaken waarop verordening 1215/2012 niet van toepassing is. De tweede en derde vraag zien er op of het parkeren in het onderhavige geval een burgerlijke of handelszaak is. Indien het parkeren een civiele zaak is, wil de rechter middels de vierde vraag weten of de Kroatische rechters dan bevoegd om uitspraak te doen op een beroep en een beslissing te geven op basis van verordening 1215/2012. De vijfde en zesde vraag gaan over het type overeenkomst die wordt gesloten door middel van het parkeren en de gevolgen hiervan. In het alternatief wil de zevende vraag weten of het niet betalen van een parkeerticket en het voorts toekennen van het dagtarief een overeenkomst uit onrechtmatige daad in de zin van artikel 7, lid 2 van verordening 1215/2012 is. Tot slot gaan de laatste twee vragen over het toepasselijke recht m.b.t. de overeenkomst (op welke grond dan ook).

 

Prejudiciële vragen:

1) Zijn notarissen bevoegd voor de betekening of kennisgeving van stukken krachtens verordening (EG) nr. 1393/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken, wanneer zij hun besluiten betekenen in zaken waarop verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken] niet van toepassing is, gelet op het feit dat de notarissen in Kroatië niet onder het begrip „gerecht” in de zin van verordening nr. 1215/2012 vallen wanneer zij optreden in het kader van de bevoegdheden die hun door het nationale recht zijn toebedeeld in procedures van gedwongen tenuitvoerlegging op grond van een „bewijskrachtig document”? Met andere woorden, mogen notarissen, die niet onder het in verordening nr. 1215/2012 genoemde begrip „gerecht” vallen, in het kader van de bevoegdheden die hun door het nationale recht zijn toebedeeld in procedures van gedwongen tenuitvoerlegging op grond van een „bewijskrachtig document”, de in verordening nr. 1393/2007 neergelegde voorschriften inzake de betekening en kennisgeving van stukken toepassen?

 

2) Kan worden aangenomen dat parkeren op straat en op de openbare weg, wanneer het recht op invordering is opgenomen in de Zakon o sigurnosti prometa na cestama (wet op de verkeersveiligheid) en de voorschriften met betrekking tot het verrichten van gemeenteactiviteiten als overheidstaken, een burgerlijke zaak is in de zin van [verordening nr. 1215/2012], die de rechterlijke bevoegdheid en de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken regelt, met name gelet op het feit dat wanneer de aanwezigheid van een voertuig zonder parkeerticket of met een ongeldig parkeerticket wordt vastgesteld, ten aanzien van dat voertuig onmiddellijk de verplichting ontstaat om het dagtarief te betalen alsof het de hele dag geparkeerd staat op de parkeerplaats, ongeacht de exacte duur van het gebruik van die plaats, waardoor de invordering van het dagtarief het karakter van een sanctie heeft, en voorts het feit dat deze vorm van parkeren in sommige lidstaten wordt beschouwd als een verkeersovertreding?

 

3) Mogen rechters in dergelijke gerechtelijke procedures die betrekking hebben op parkeren op straat en op de openbare weg, krachtens [verordening nr. 1393/2007] een stuk betekenen aan verweerders in een andere lidstaat, wanneer het recht op invordering is opgenomen in de wet op de verkeersveiligheid en de voorschriften met betrekking tot het verrichten van gemeenteactiviteiten als overheidstaken?

 

Indien op basis van de voorgaande vragen wordt geoordeeld dat dit soort parkeren een burgerlijke zaak is, zijn tevens de volgende vragen aan de orde:

4) In de onderhavige zaak wordt ervan uitgegaan dat door het parkeren op straat op een plaats die is aangegeven met horizontale en/of verticale wegmarkering een overeenkomst tot stand komt, met andere woorden er wordt aangenomen dat bij het parkeren een overeenkomst wordt gesloten en dat als het per uur te betalen parkeertarief niet wordt betaald, het dagtarief geldt. Bijgevolg is de vraag aan de orde of de aanname dat door het parkeren een overeenkomst wordt gesloten en met de betaling van het dagtarief wordt ingestemd wanneer er geen parkeerticket per uur wordt gekocht of wanneer de duur van het gekochte parkeerticket is afgelopen, in strijd is met de fundamentele bepalingen inzake het verrichten van diensten zoals neergelegd in artikel 56 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met de overige bepalingen van het acquis van de Europese Unie.

 

5) In de onderhavige zaak is geparkeerd in Zadar, waardoor die overeenkomst een band heeft met de Kroatische rechter. Is er bij het parkeren evenwel sprake van een „dienst” als bedoeld in artikel 7, lid 1, van verordening nr. 1215/2012, gelet op het feit dat het begrip dienst inhoudt dat de partij die de dienst verstrekt een bepaalde activiteit verricht, met andere woorden die bepaalde activiteit tegen vergoeding verricht, zodat de vraag rijst of verzoeksters activiteit voldoende is om te worden aangemerkt als dienst? Is geen sprake van bijzondere bevoegdheid van de Kroatische rechter op grond van artikel 7, lid 1, van verordening nr. 1215/2012, dan is de rechter van de woonplaats van verweerster bevoegd om de zaak te behandelen.

 

6) Kan parkeren op straat en op de openbare weg op grond van artikel 24, lid 1, van verordening nr. 1215/2012 worden beschouwd als een huurovereenkomst voor een onroerende zaak, wanneer het recht op invordering is opgenomen in de wet op de verkeersveiligheid en de voorschriften met betrekking tot het verrichten van gemeenteactiviteiten als overheidstaken en voorts slechts gedurende een bepaald deel van de dag parkeergeld moet worden betaald?

 

7) Kan deze vorm van parkeren, waarbij de bevoegdheid tot invordering van parkeergeld voortvloeit uit de wet op de verkeersveiligheid en er sprake is van de betaling van het dagtarief als niet vooraf een parkeerticket per gebruiksuur van de parkeerplaats wordt betaald of als de betaalde parkeerduur van het ticket is afgelopen, worden beschouwd als een verbintenis uit onrechtmatige daad in de zin van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1215/2012 indien de genoemde aanname niet opgaat dat dit soort parkeren het sluiten van een overeenkomst inhoudt (vierde prejudiciële vraag)?

 

8) In de onderhavige zaak heeft het parkeren plaatsgevonden op 30 juni 2012 om 13.02 uur, dus vóór de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie. Daarom is de vraag aan de orde of de verordeningen met betrekking tot het toepasselijke recht, namelijk [verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst] en [verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen], van toepassing zijn op de onderhavige zaak, gelet op de temporele werkingssfeer van die verordeningen.

 

Indien het Hof van Justitie van de Europese Unie bevoegd is om de vraag met betrekking tot het toe te passen materiële recht te beantwoorden, is de volgende vraag aan de orde:

9) Is de aanname dat bij dit soort parkeren een overeenkomst wordt gesloten en met de betaling van het dagtarief wordt ingestemd wanneer er geen ticket per uur wordt gekocht of wanneer de betaalde parkeerduur van het ticket is afgelopen, in strijd met de fundamentele bepalingen inzake het verrichten van diensten zoals neergelegd in artikel 56 VWEU, en met de overige bepalingen van het acquis van de Unie, ongeacht of de eigenaar van het voertuig een natuurlijke persoon of rechtspersoon is? Kunnen in de onderhavige zaak met andere woorden, wat de vaststelling van het materiële recht betreft, de bepalingen van artikel 4 van verordening nr. 593/2008worden toegepast (wetende dat het dossier geen bewijs bevat dat partijen tot een akkoord zijn gekomen over het toepasselijke recht)?

– Indien wordt geoordeeld dat het om een overeenkomst gaat, betreft het in de onderhavige zaak dan een overeenkomst tot verstrekking van diensten, met andere woorden is er bij die parkeerovereenkomst sprake van dienstverlening in de zin van artikel 4, lid 1, onder b), van verordening nr. 593/2008?

– Kan subsidiair worden vastgesteld dat dit soort parkeren een huurovereenkomst inhoudt overeenkomstig artikel 4, lid 1, onder c), van verordening nr. 593/2008?

– Indien de bepalingen van artikel 4, lid 2, van verordening nr. 593/2008 van toepassing zijn op dit soort parkeren, is subsidiair de vraag aan de orde welke in het onderhavige geval de kenmerkende prestatie is, gelet op het feit dat verzoekster in wezen slechts aangeeft waar mag worden geparkeerd en de parkeergelden int, terwijl verweerster parkeert en de parkeerplaats betaalt. Indien namelijk wordt geoordeeld dat de kenmerkende prestatie wordt geleverd door verzoekster, is het Kroatische recht van toepassing, maar als de kenmerkende prestatie wordt geleverd door verweerster, dan geldt het Sloveense recht. Aangezien het recht op de invordering van het parkeergeld in het aan de orde zijnde geval wordt geregeld door het Kroatische recht en de overeenkomst bijgevolg een nauwere band heeft met dat recht, rijst echter ook de vraag of in de onderhavige zaak ook de bepalingen van artikel 4, [lid 3], van verordening nr. 593/2008 kunnen worden toegepast.

– Kan indien wordt geoordeeld dat er sprake is van een niet-contractuele verbintenis als bedoeld in verordening nr. 864/2007, deze niet-contractuele verbintenis worden beschouwd als schade, hetgeen impliceert dat het toepasselijke recht wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 4, lid 1, van verordening nr. 864/2007?

– Kan dit soort parkeren subsidiair worden aangemerkt als ongerechtvaardigde verrijking, zodat het toepasselijke recht wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 10, lid 1, van verordening nr. 864/2007?

– Kan dit soort parkeren subsidiair worden aangemerkt als zaakwaarneming, zodat het toepasselijke recht wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 11, lid 1, van verordening nr. 864/2007?

– Kan dit soort parkeren subsidiair worden aangemerkt als precontractuele aansprakelijkheid van verweerster, zodat het toepasselijke recht wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 12, lid 1, van verordening nr. 864/2007?

 

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-551/15; LTU, C-29/76; C-814/79; C-533/07; C-469/12; C-254/14; C-630/17.

Specifiek beleidsterrein: JenV