C-312/19 XT

Prejudiciële hofzaak


Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).


Termijnen: Motivering departement: 21 juni 2019
Schriftelijke opmerkingen: 7 augustus 2019

Trefwoorden: btw; belastingplichtige; zelfstandigheid; verdeling

Onderwerp:

- Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde;

 

Feiten:

Verzoeker en een andere natuurlijke persoon (hierna: zakenpartner) hebben op 19.02.2010 een maatschapsovereenkomst gesloten om samen te werken aan de bouw van een residentieel vastgoed in of rond Vilnius. Op 25.04.2010 hebben verzoeker en zijn zakenpartner samen besloten een perceel landbouwgrond te kopen in Vilnius, waarvoor zij een koopovereenkomst hebben getekend. Zij hebben ervoor gekozen de eigendom van het perceel op verzoekers naam te registreren. Ook hebben zij besloten een complex van vijf gebouwen te bouwen, verzoeker te belasten met het regelen van alle benodigde bouwdocumenten en voor de bouwbegeleiding de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Konsela, waarvan verzoeker directeur was, aan te stellen. Hiervoor heeft verzoeker een op zijn naam afgegeven bouwvergunning ontvangen van het gemeentebestuur. De bouwovereenkomst is ondertekend door verzoeker als afnemer. De aannemer heeft op 05.02.2011 een btw-factuur voor de bouw van de eerste vier gebouwen uitgereikt, en op 11.02.2013 een voor nummer vijf. Op 02.12.2010 hebben verzoeker en zijn zakenpartner een overeenkomst tot beëindiging van de maatschap van 19.02.2010 en tot verdeling van het vermogen en de passiva besloten. Op grond van deze overeenkomst werd besloten de maatschap te beëindigen en het recht op de voorgebrachte activa (gebouwen 4 en 5) aan de zakenpartner toe te kennen, en verbond verzoeker zich ertoe om zijn zakenpartner vóór 2017 het verschil tussen zijn bijdragen en het aandeel in de gezamenlijke activa ten bedrage van 300 000 LTL terug te betalen. Op grond van die overeenkomst kwamen de gebouwen met nummers 1-3 aan verzoeker toe. Op verschillende momenten hebben verzoeker en zijn zakenpartner vier van de vijf gebouwen verkocht. Zij hebben deze verkopen van onroerende zaken niet aangemerkt als aan btw onderworpen (economische) activiteiten en daarom hebben zij de door de kopers te betalen btw niet berekend en opgevoerd, niet aangegeven en niet betaald, en hebben zij geen btw-aftrek toegepast. Na een belastinginspectie bij verzoeker betreffende inkomstenbelasting en btw voor 2010 tot en 2013 heeft de plaatselijke belastingdienst de betwiste leveringen als één enkele aan de btw onderworpen activiteit aangemerkt en verzoeker als belastingplichtige aangemerkt die gehouden was tot voldoening van de btw-verplichtingen voor al die leveringen. Dit is bevestigd door de belastinginspectie Vilnius. Het bezwaar hiertegen is meerdere malen afgewezen.

 

Overweging:

De vraag rijst of de belastingplichtige moet worden beschouwd als zijnde uitsluitend verzoeker, of beide deelgenoten in de maatschap, dat wil zeggen verzoeker en zijn zakenpartner gezamenlijk. De rechtspraak van het Hof benadrukt de zelfstandigheid in de uitoefening van een economische activiteit, in die zin dat ieder die objectief gezien de criteria van die bepaling vervullen, btw-plichtigen zijn. De vraag is dan ook of verzoeker “zelfstandige” economische activiteiten heeft uitgeoefend. Indien inderdaad beiden belastingplichtig zijn, is de vraag hoe de verdeling over verzoeker en zakenpartner dient te geschieden.

 

Prejudiciële vragen:

1. Moeten artikel 9, lid 1, en artikel 193 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde aldus worden uitgelegd dat in omstandigheden als in casu, een natuurlijke persoon als verzoeker niet kan worden geacht de desbetreffende (economische) activiteit „zelfstandig” te hebben uitgeoefend en als enige de btw over de betwiste leveringen te moeten betalen, of is, met andere woorden, voor de toepassing van artikel 9, lid 1, en artikel 193 van de btw-richtlijn de tot de betrokken verplichtingen gehouden belastingplichtige de maatschap (de deelgenoten in de maatschap gezamenlijk; in casu verzoeker en zijn zakenpartner gezamenlijk) die naar nationaal recht niet als een belastingplichtige wordt aangemerkt en geen rechtspersoonlijkheid bezit – en niet alleen een natuurlijke persoon zoals verzoeker?

2. Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, moet artikel 193 van de btw-richtlijn dan aldus worden uitgelegd dat in omstandigheden als in casu, elke deelgenoot in de maatschap (in casu verzoeker en zijn zakenpartner) – welke maatschap naar nationaal recht niet wordt beschouwd als een belastingplichtige en geen rechtspersoonlijkheid bezit – afzonderlijk btw moet betalen over het aandeel in elke betaling die zij als tegenprestatie voor de belastbare levering van onroerende zaken hebben ontvangen (of nog moeten ontvangen of die nog verschuldigd is)? Moet artikel 287 van de btwrichtlijn aldus worden uitgelegd dat in omstandigheden als in casu, de in die bepaling bedoelde jaarlijkse omzet wordt vastgesteld op basis van de algehele opbrengst van de activiteit van de maatschap (die de deelgenoten in de maatschap gezamenlijk hebben ontvangen)?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-340/15;, C-23/98; C-355/06; Gmina Wrocław, C-276/14; Skandia Sverige, C-7/13; C-672/17

Specifiek beleidsterrein: FIN-fisc