C-314/19 R.C.C.

Prejudiciële hofzaak


Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 11 juni 2019
Schriftelijke opmerkingen: 28 juli 2019

Trefwoorden : arbeidsrecht; overgang ondernemingen; ambtenaar;

Onderwerp :

- Richtlijn 2001/23/EG van de Raad van 12 maart 2001 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen;

 

Feiten:

Verzoekster R.C.C. was van 07.02.1979 – 16.06.2017 werkzaam in een notariskantoor, waar zij in dienst was van verschillende notarissen. Op 13.01.2016 heeft verweerster M.O.L. het notariskantoor overgenomen. Op 16.06.2017 heeft R.C.C. van M.O.L. een ontslagbrief gekregen waarin te lezen stond dat het ontslag om economische redenen was, werd toegegeven dat het een onredelijk ontslag betrof en bijgevolg de ontslagvergoeding werd berekend. R.C.C. heeft zich vervolgens tot de arbeidsrechtbank gewend om het ontslag nietig, of in elk geval onredelijk, te doen verklaren. Zij voerde o.a. aan dat om de verschuldigde vergoeding te berekenen als referentiepunt de datum moest worden genomen waarop ze in het notariskantoor begon te werken, en niet de datum waarop zij voor M.O.L. begon te werken. De arbeidsrechtbank heeft deze vordering afgewezen. Hoewel de rechter erkent dat het om een onredelijk ontslag gaat, stelt hij dat de referentiedatum in overeenstemming met de geldende cao 13 januari 2016 is. R.C.C. is tegen die beslissing in hoger beroep gegaan bij de hoogste rechter.

 

Overweging:

Een notaris is in Spanje een overheidsambtenaar die tegelijkertijd de hoedanigheid van werkgever heeft ten aanzien van de werknemers die bij hem in dienst zijn uit hoofde van een arbeidsovereenkomst, waarop het volledige algemene arbeidsrecht en het Unierecht van toepassing zijn. De notaris moet zich daarom aansluiten bij het bijzondere socialezekerheidsstelsel voor zelfstandigen. Volgens de verwijzende rechter gaat het in casu om een ontslag om economische redenen, en bijgevolg niet om een ontslag wegens overplaatsing van de notaris naar een andere standplaats. De verwijzende rechter twijfelt daarom of een dergelijke situatie onder het toepassingsgebied valt van artikel 1(1)a) van richtlijn 2001/23, waarin wordt bepaald dat de richtlijn van toepassing is op “de overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen op een andere ondernemer ten gevolge van een overdracht krachtens overeenkomst of een fusie”. De rechter twijfelt of richtlijn 2001/23 van toepassing is en vindt dat dit een doorslaggevende factor is om de anciënniteit te bepalen op basis waarvan de vergoeding moet worden berekend. Daarom heeft hij besloten het Hof het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing voor te leggen.

 

Prejudiciële vraag:

Is artikel 1, lid 1, onder a), van richtlijn 2001/23/EG van de Raad van 12 maart 2001 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen – en daarmee de inhoud van de richtlijn – van toepassing op het geval waarin een notaris, die een ambtenaar is maar ook de particuliere werkgever van het personeel dat bij hem in dienst is en wiens positie als werkgever wordt geregeld door het algemene arbeidsrecht en de betreffende sectorale collectieve arbeidsovereenkomst, de vorige notaris in zijn ambt opvolgt en zijn repertorium overneemt, zijn werkzaamheden op dezelfde werkplek met dezelfde materiële uitrusting voortzet en daarbij het personeel van die vorige notaris overneemt?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: SZW; BZK