C-321/19 Bundesrepublik Deutschland

Prejudiciële hofzaak


Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement: 12 juni 2019
Schriftelijke opmerkingen: 29 juli 2019

Trefwoorden : Tolheffing, Berekeningsfout, verkeerspolitie, infrastructuurvoorzieningen

Onderwerp :

- Richtlijn 1999/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 1999 betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen;

- Richtlijn 2006/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 tot wijziging van richtlijn 1999/62/EG betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen;

- Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van 25 oktober 1993 betreffende de toepassing door de lidstaten van de belastingen op sommige voor het goederenvervoer over de weg gebruikte voertuigen en van de voor het gebruik van sommige infrastructuurvoorzieningen geheven tolgelden en gebruiksrechten;

 

Feiten:

BY en CZ (verzoekers) vorderen in eerste aanleg van de Bundesrepublik Deutschland (verweerder) teruggave van tolgelden die zij in het tijdvak van 1.1.2010 tot en met 18.6.2011 hebben betaald voor gebruik van Duitse autosnelwegen. Deze vordering wordt in eerste aanleg afgewezen, waartegen verzoekers hoger beroep aanstellen bij de verwijzende rechter. Verzoekers voeren aan dat bij de berekening van het toltarief te hoge kosten in aanmerking zijn genomen, welke in strijd is met het Unierecht.

 

Overweging:

Met betrekking tot de eerste vraag wil de verwijzende rechter uitsluitsel over de mogelijkheid tot rechtstreekse werking van de bepalingen van richtlijn 1999/62, iets dat door de staande jurisprudentie van het Hof niet mogelijk is (C-157/02). Daarnaast wil de verwijzende rechter weten of het verwerken van de kosten voor de verkeerspolitie in de tolheffing en de berekenings- en schattingsfouten een schending zijn van richtlijn 1999/62. De rechter wil dan met name weten wat de kostenoverschrijding dient te zijn die een schending vormen (in de jurisprudentie was dit een overschrijding van 150%, maar in casu is het een kostenoverschrijding van maximaal 6%). Laatstelijk verzoekt de verwijzende rechter uitleg over of een door verweerder a posteriori opgestelde berekening relevant is in licht van het unierecht en hoe deze berekening moet worden opgesteld.

 

Prejudiciële vragen:

1) Kan een individuele tolplichtige zich tegenover nationale rechterlijke instanties beroepen op de naleving van de regels voor de berekening van toltarieven volgens artikel 7, lid 9, en artikel 7 bis, leden 1 en 2, van richtlijn 1999/62/EG, zoals gewijzigd bij richtlijn 2006/38/EG (ongeacht de daarin vervatte regelingen volgens artikel 7 bis, lid 3, gelezen in samenhang met bijlage III), wanneer de lidstaat bij de wettelijke vaststelling van de toltarieven die regels niet ten volle heeft nageleefd of ze gebrekkig heeft omgezet ten koste van de tolplichtige?

2) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord:

a) Mogen ook kosten van de verkeerspolitie in aanmerking worden genomen als kosten van de exploitatie van het infrastructuurnet in de zin van artikel 7, lid 9, tweede volzin, van richtlijn 1999/62/EG, zoals gewijzigd bij richtlijn 2006/38/EG?

b) Is een overschrijding van de in verband met de gemiddelde gewogen toltarieven in aanmerking genomen infrastructuurkosten met een percentage

aa) tot 3,8 %, in het bijzonder wanneer kosten in aanmerking worden genomen die reeds in beginsel niet in aanmerking kunnen worden genomen,

bb) tot 6% aan te merken als een schending van het verbod op kostenoverschrijding dat voortvloeit uit artikel 7, lid 9, van richtlijn 1999/62/EG, zoals gewijzigd bij richtlijn 2006/38/EG, met als gevolg dat het nationale recht in zoverre niet van toepassing is?

3) Indien vraag 2) b) bevestigend wordt beantwoord:

a) Moet het arrest van het Hof van 26 september 2000 (C-205/98, punt 138) aldus worden uitgelegd dat een aanmerkelijke kostenoverschrijding uiteindelijk niet meer kan worden goedgemaakt door een in de gerechtelijke procedure overgelegde berekening die achteraf is opgesteld en die strekt tot bewijs van het feit dat het vastgestelde toltarief de in aanmerking komende kosten uiteindelijk in werkelijkheid niet overschrijdt?

b) Indien vraag 3) a) ontkennend wordt beantwoord: Moet een achteraf opgestelde berekening na afloop van de berekeningsperiode ten volle worden gebaseerd op de werkelijke kosten en de werkelijke tolinkomsten, en dus niet op de aannamen ter zake in de oorspronkelijke raming?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Rieser Internationale Transporte, C-157/02; Commissie/Oostenrijk, C-205/98

Specifiek beleidsterrein: IenW